EU-Rechtsprechung · Gericht der Europäischen Union
ECLI:EU:T:2004:226
ECLI: ECLI:EU:T:2004:226Entscheidung vom: 08.07.2004
Zaak T‑270/02
MLP Finanzdienstleistungen AG
tegen
Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (BHIM)
„Gemeenschapsmerk – Woordmerk bestpartner – Absolute weigeringsgronden – Artikel 7, lid 1, sub b en c, van verordening (EG) nr. 40/94 – Merk zonder onderscheidend vermogen – Beschrijvend merk”
Arrest van het Gerecht (Tweede kamer) van 8 juli 2004
Samenvatting van het arrest
1. Gemeenschapsmerk – Beroepsprocedure – Beroep bij gemeenschapsrechter – Inleidend verzoekschrift – Vormvereisten – Middelen rechtens niet uiteengezet in verzoekschrift – Algemene verwijzing naar andere stukken – Niet-ontvankelijkheid
(Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, art. 44, lid 1, 130, lid 1, en 132, lid 1)
2. Gemeenschapsmerk – Definitie en verkrijging van gemeenschapsmerk – Absolute weigeringsgronden – Merken zonder onderscheidend vermogen – Woord „bestpartner”
(Verordening nr. 40/94 van de Raad, art. 7, lid 1, sub b)
1. Volgens artikel 44, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, dat krachtens artikel 130, lid 1, en artikel 132, lid 1, van dit reglement van toepassing is op intellectuele-eigendomsrechten, kan, ofschoon het verzoekschrift als zodanig op specifieke punten kan worden gestaafd en aangevuld door verwijzingen naar bepaalde passages uit bijgevoegde stukken, een algemene verwijzing naar andere geschriften geen alternatief zijn voor de vermelding van de essentiële elementen van het betoog rechtens, die volgens bovengenoemde bepalingen in het verzoekschrift zelf moeten worden vermeld. Voorzover een verzoekschrift verwijst naar geschriften die verzoeker voor het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) heeft neergelegd, is het dus niet-ontvankelijk, aangezien de erin vervatte algemene verwijzing niet in verband kan worden gebracht met een in het verzoekschrift ontwikkeld middel.
(cf. punt 16)
2. Het woordteken „bestpartner”, waarvan de inschrijving wordt gevraagd voor verzekeringen, financiële diensten en verwerking van gegevens op internet van de klassen 36, 38 en 42 in de zin van de Overeenkomst van Nice, mist in de ogen van het Engelstalige publiek van de Gemeenschap het vereiste minimum aan onderscheidend vermogen in de zin van artikel 7, lid 1, sub b, van verordening nr. 40/94 inzake het gemeenschapsmerk. De termen „best” en „partner” zijn immers generieke termen die alleen wijzen op de kwaliteit van de diensten die een onderneming aan haar klanten verleent, en door het aaneenschrijven van deze termen, zonder enige wijziging van de grafische voorstelling of de betekenis, krijgt het teken in de ogen van het relevante publiek geen extra kenmerk waardoor het in zijn geheel geschikt zou kunnen worden om de diensten van de merkaanvrager te onderscheiden van die van andere ondernemingen.
(cf. punten 24, 26‑27)
ARREST VAN HET GERECHT (Tweede kamer)8 juli 2004(1)
„Gemeenschapsmerk – Woordmerk bestpartner – Absolute weigeringsgronden – Artikel 7, lid 1, sub b en c, van verordening (EG) nr. 40/94 – Merk zonder onderscheidend vermogen – Beschrijvend merk”
verzoekster,
tegen
verweerder,
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Tweede kamer),
het navolgende
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Tweede kamer),
Pirrung
Meij
Forwood
De griffier
De president van de Tweede kamer
H. Jung
J. Pirrung
1 – Procestaal: Duits.
Amtliche Sprachfassungen
Diese Entscheidung liegt in folgenden Amtssprachen der Union vor — alle gleichermaßen verbindlich.
ČeštinaΕλληνικάEnglishEspañolFrançaisItalianoNederlandsPolskiPortuguês