Zum Inhalt springen

EU-Rechtsprechung · Gericht der Europäischen Union

ECLI:EU:T:2004:108

ECLI: ECLI:EU:T:2004:108Entscheidung vom: 21.04.2004

Zaak T‑172/01 M tegen Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen „Gescheiden echtgenoot van voormalig lid van gemeenschapsinstelling, thans overleden – Alimentatie – Mondelinge overeenkomst tussen gewezen echtgenoten – Recht dat van toepassing is op vorm van overeenkomst en op toelaatbaarheid van bewijsmiddelen voor bestaan ervan (artikel 27 van bijlage VIII bij Statuut van ambtenaren van Europese Gemeenschappen)” Arrest van het Gerecht (Eerste kamer) van 21 april 2004 Samenvatting van het arrest 1.     Gemeenschapsrecht – Uitlegging – Beginselen – Autonome uitlegging – Grenzen – Specifieke verwijzingen naar recht van lidstaten (Ambtenarenstatuut, bijlage VIII, art. 27, eerste alinea; verordeningen van de Raad nr. 422/67 en nr. 5/67, art. 15, lid 7) 2.     Ambtenaren – Pensioenen – Overlevingspensioen – Alimentatie vastgesteld bij overeenkomst tussen gewezen echtgenoten – Geldigheidsvoorwaarden – Beoordeling naar nationaal recht (Ambtenarenstatuut, bijlage VIII, art. 27, eerste alinea) 3.     Ambtenaren – Pensioenen – Overlevingspensioen – Bestaan van mondelinge overeenkomst tot vaststelling van alimentatie na echtscheiding – Toelaatbaarheid van bewijsmiddelen – Toepassing van nationaal recht, van reglement voor procesvoering en van algemene beginselen op gebied van bewijslevering (Ambtenarenstatuut, bijlage VIII, art. 27, eerste alinea) 1.     De termen van een gemeenschapsrechtelijke bepaling die, zoals artikel 27, eerste alinea, van bijlage VIII bij het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen, dat in casu van toepassing is door de verwijzing daarnaar in artikel 15, lid 7, van verordening nr. 422/67 en verordening nr. 5/67 tot vaststelling van de geldelijke regeling voor de voorzitter en de leden van de Commissie, de President, de rechters en de griffier van, alsmede de advocaten-generaal bij het Hof van Justitie, voor de vaststelling van de inhoud en de draagwijdte ervan niet uitdrukkelijk naar het recht van de lidstaten verwijst, moeten in de regel autonoom worden uitgelegd met inaanmerkingneming van de context van de bepaling en het doel van de betrokken regeling. Maar zelfs waar een uitdrukkelijke verwijzing ontbreekt, kan de toepassing van het gemeenschapsrecht een verwijzing naar het recht van de lidstaten impliceren, wanneer de communautaire rechter noch in het gemeenschapsrecht noch in de algemene beginselen daarvan iets vindt wat hem in staat stelt, de inhoud en de draagwijdte van het gemeenschapsrecht door autonome uitlegging te preciseren. (cf. punten 70‑71) 2.     Aan het begrip „alimentatie [...] vastgesteld bij [...] overeenkomst tussen de gewezen echtgenoten” in de zin van artikel 27, eerste alinea, van bijlage VIII bij het Statuut kan geen autonome gemeenschapsrechtelijke uitlegging worden gegeven. Het begrip tussen gewezen echtgenoten wegens hun echtscheiding overeengekomen alimentatieplicht behoort daarentegen tot de vermogensrechtelijke gevolgen van het echtscheidingsvonnis dat is uitgesproken op basis van de toepasselijke civielrechtelijke regels. De voorwaarden voor de geldigheid van een overeenkomst tot betaling van alimentatie ten behoeve van de gescheiden echtgenoot van een personeelslid van de Gemeenschappen of van een voormalig lid van een gemeenschapsinstelling moeten dus in beginsel worden vastgesteld volgens de wet die de gevolgen van de echtscheiding regelt. (cf. punten 72‑73) 3.     Ofschoon de toelaatbaarheid van bewijsmiddelen voor het bestaan van een mondelinge overeenkomst waarbij, wegens echtscheiding van de gewezen echtgenoten, ten behoeve van de gescheiden echtgenote een alimentatie ten laste van de erflater wordt vastgesteld, door het nationale recht wordt beheerst, is het niettemin de taak van het Gerecht om, in het kader van een beroep tegen de weigering om een overlevingspensioen toe te kennen dat voortvloeit uit de toepassing van artikel 27, eerste alinea, van bijlage VIII bij het Statuut, met het oog op een juiste toepassing van deze bepaling na te gaan of aan de door het nationale recht gestelde eisen is voldaan. Deze verplichting veronderstelt dat de bepalingen van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht en de algemene beginselen op het gebied van de bewijslevering zijn nageleefd, met name wat betreft de toelaatbaarheid van bewijsmiddelen en, derhalve, van het getuigenbewijs, de modaliteiten voor het horen van opgeroepen getuigen en de interpretatie die aan de door hen vermelde feiten moet worden gegeven. Het Gerecht moet zijn bevoegdheden immers, net als elke rechterlijke instantie, uitoefenen overeenkomstig de bepalingen die hem deze bevoegdheden verlenen. (cf. punten 87‑88) ARREST VAN HET GERECHT (Eerste kamer)21 april 2004(1) „Gescheiden echtgenoot van voormalig lid van gemeenschapsinstelling, thans overleden – Alimentatie – Mondelinge overeenkomst tussen gewezen echtgenoten – Recht dat van toepassing is op vorm van overeenkomst en op toelaatbaarheid van bewijsmiddelen voor bestaan ervan (artikel 27 van bijlage VIII bij Statuut van ambtenaren van Europese Gemeenschappen)” verzoekster, tegen verweerder, HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Eerste kamer), het navolgende HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Eerste kamer), Meij Forwood Legal De griffier De president van de Eerste kamer H. Jung A. W. H. Meij 1 – Procestaal: Frans.

Amtliche Sprachfassungen

Diese Entscheidung liegt in folgenden Amtssprachen der Union vor — alle gleichermaßen verbindlich.

ČeštinaΕλληνικάEnglishEspañolFrançaisItalianoNederlandsPortuguês