EU-Rechtsprechung · Gericht der Europäischen Union
Openbare dienst – Ambtenaren – Bevordering – Bevorderingsronde 2015 – Ontbreken van beoordelingsrapporten wegens ziekteverlof – Algemene uitvoeringsbepalingen van artikel 45 van het Statuut
ECLI: ECLI:EU:T:2017:803Entscheidung vom: 14.11.2017
ARREST VAN HET GERECHT (Derde kamer)
14 november 2017 ( *1 )
„Openbare dienst – Ambtenaren – Bevordering – Bevorderingsronde 2015 – Ontbreken van beoordelingsrapporten wegens ziekteverlof – Algemene uitvoeringsbepalingen van artikel 45 van het Statuut”
In zaak T‑586/16,
Guillaume Vincenti, wonende te Alicante (Spanje), vertegenwoordigd door H. Tettenborn, advocaat,
verzoeker,
tegen
Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO), vertegenwoordigd door K. Tóth en A. Lukošiūtė als gemachtigden,
verweerder,
betreffende een beroep krachtens artikel 270 VWEU, strekkende tot nietigverklaring van het besluit van het EUIPO van 24 juli 2015 om verzoeker krachtens de bevorderingsprocedure 2015 niet te bevorderen naar de hogere rang (AST 8) door zijn naam niet op te nemen op de lijst van ambtenaren die in het kader van de bevorderingsronde 2015 zijn bevorderd,
wijst
HET GERECHT (Derde kamer),
samengesteld als volgt: S. Frimodt Nielsen, president, V. Kreuschitz en N. Półtorak (rapporteur), rechters,
griffier: P. Cullen, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 5 mei 2017,
het navolgende
Arrest
Voorgeschiedenis van het geding
1
Verzoeker, Guillaume Vincenti, is ambtenaar van de rang AST 7 van het Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO). Hij heeft die rang sinds 1 april 2009 en is sinds 10 juni 2013 met ziekteverlof.
2
Uit de beoordelingsrapporten die voor de jaren 2009, 2010, 2011 en 2012 over hem zijn uitgebracht blijkt dat „zijn prestaties, kundigheden en gedrag geheel overeenstemden met het voor het vervulde ambt vereiste niveau”. Wegens zijn gerechtvaardigde afwezigheid zijn zijn beoordelingsrapporten over de jaren 2013 en 2014, die betrekking hadden op de periode van 1 januari tot en met 31 december 2013 respectievelijk 1 januari tot en met 31 december 2014, echter niet afgerond.
3
De bevorderingsdrempel in verzoekers rang bedraagt 9 punten. Bij brief van 21 juli 2014 heeft het tot aanstelling bevoegd gezag (hierna: „TABG”) van het EUIPO verzoeker meegedeeld, dat het aantal bevorderingspunten waarover hij in 2014 beschikte definitief was vastgesteld op 9,25 punten.
4
Bij een mededeling aan het personeel van 27 april 2015 heeft het EUIPO de bevorderingsronde 2015 gestart en het personeel meegedeeld dat het – overeenkomstig artikel 110 van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie (hierna: „Statuut”) – besluit C(2013) 8968 final van de Commissie van 16 december 2013 houdende algemene uitvoeringsbepalingen van artikel 45 van het Statuut (hierna: „AUB van artikel 45”), mutatis mutandis op de ambtenaren zou toepassen. Bij die mededeling heeft het zijn personeel tevens ervan op de hoogte gesteld dat er werkinstructies waren ontwikkeld teneinde de bevorderingsmodaliteiten binnen het EUIPO te definiëren (hierna: „werkinstructies”).
5
In het kader van de bevorderingsronde 2015 heeft het raadgevend beheerscomité verzoekers naam niet opgenomen op de lijst van ambtenaren die werden voorgedragen voor bevordering. Die lijst is op 25 juni 2015 op de intranetsite van het EUIPO gepubliceerd.
6
Op 2 juli 2015 heeft verzoeker dit besluit van het raadgevend beheerscomité betwist voor het paritair bevorderingscomité (hierna: „CPP”) en gevraagd om zijn naam op te nemen op de lijst van ambtenaren die werden voorgedragen voor bevordering.
7
Nadat het CPP verzoekers geval had onderzocht, heeft het op 24 juli 2015 zijn aanbeveling aan het TABG gedaan om verzoekers verzoek niet in te willigen. Het heeft zich op basis van de werkinstructies op het standpunt gesteld dat wanneer de ambtenaar zou terugkeren in zijn ambt, een beoordelingsrapport diende te worden opgesteld, met terugwerkende kracht bevorderingspunten moesten worden verleend en zijn verdiensten moesten worden vergeleken. Deze aanbeveling is niet met unanimiteit vastgesteld. De twee door het personeelscomité aangewezen leden van het CPP hebben aangegeven dat er geen enkele rechtsgrondslag was om te kunnen afwijken van de duidelijke bewoordingen van de AUB van artikel 45, en dat de uitlegging van de werkinstructies waarop die aanbeveling was gebaseerd, huns inziens afweek van de duidelijke betekenis van artikel 3 van die AUB.
8
Op 24 juli 2015 heeft het TABG de lijst bekendgemaakt van de ambtenaren die in het kader van de bevorderingsronde 2015 waren bevorderd. Verzoekers naam kwam niet voor op die lijst.
9
Bij op basis van artikel 90, lid 2, van het Statuut ingediende klacht is verzoeker op 18 augustus 2015 opgekomen tegen het besluit van het EUIPO van 24 juli 2015 tot vaststelling van de lijst van ambtenaren die in het kader van de bevorderingsronde 2015 waren bevorderd (hierna: „bestreden besluit”).
10
Bij besluit van 8 december 2015 heeft het TABG de klacht afgewezen (hierna: „besluit tot afwijzing van de klacht”).
Procedure en conclusies van partijen
11
Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht voor ambtenarenzaken op 18 maart 2016, heeft verzoeker het onderhavige beroep ingesteld, dat is ingeschreven onder nummer F‑16/16.
12
Krachtens artikel 3 van verordening (EU, Euratom) 2016/1192 van het Europees Parlement en de Raad van 6 juli 2016 betreffende de overdracht aan het Gerecht van de bevoegdheid om in eerste aanleg uitspraak te doen in geschillen tussen de Europese Unie en haar personeelsleden (PB 2016, L 200, blz. 137), is de onderhavige zaak in de stand waarin zij zich op 31 augustus 2016 bevond, overgedragen aan het Gerecht. Zij is ingeschreven onder nummer T‑586/16 en toegewezen aan de Derde kamer.
13
Op 8 maart 2017 heeft het Gerecht het EUIPO in het kader van een maatregel tot organisatie van de procesgang gevraagd om een aantal vragen te beantwoorden. Op 28 maart 2017 heeft het EUIPO aan dat verzoek voldaan.
14
Verzoeker verzoekt het Gerecht:
–
nietig te verklaren het besluit van het EUIPO van 24 juli 2015 om hem krachtens de bevorderingsprocedure 2015 niet te bevorderen naar de hogere rang (AST 8) door zijn naam niet op te nemen op de lijst van ambtenaren die in het kader van de bevorderingsronde 2015 zijn bevorderd;
–
het EUIPO te verwijzen in de kosten.
15
EUIPO verzoekt het Gerecht:
–
het beroep in zijn geheel te verwerpen;
–
verzoeker te verwijzen in de kosten.
In rechte
16
Ter onderbouwing van zijn beroep voert verzoeker drie, in zijn verzoekschrift gezamenlijk behandelde middelen aan: 1) schending van artikel 45 van het Statuut, van artikel 3 van de AUB van artikel 45 en van artikel 13 van besluit ADM-05‑09 van het EUIPO; 2) schending van het beginsel van bescherming van het gewettigd vertrouwen, van het beginsel van behoorlijk bestuur en van zijn rechten van verdediging alsmede verkeerde opvatting van de feiten waarop het bestreden besluit is gebaseerd, en 3) een kennelijk onjuiste beoordeling door het TABG, primair wegens zijn weigering om zijn beoordelingsbevoegdheid met betrekking tot zijn bevordering uit te oefenen en subsidiair wegens zijn weigering om hem te bevorderen, aangezien die weigering de grenzen van zijn beoordelingsbevoegdheid overschrijdt.
17
Zoals in punt 4 hierboven is opgemerkt, waren de bepalingen die bij de bevorderingsronde 2015 op de ambtenaren van toepassing waren, en die het EUIPO overigens heeft toegepast, mutatis mutandis de AUB van artikel 45. Op een ter terechtzitting gestelde vraag over de relevantie van besluit ADM-05‑09 van het EUIPO voor de onderhavige zaak, heeft verzoeker erkend dat het bestreden besluit niet gebaseerd was op dat besluit van het EUIPO en afgezien van zijn argumenten ontleend aan de schending van dat besluit, waarvan akte is genomen in het proces-verbaal van de terechtzitting.
Eerste middel: schending van artikel 45 van het Statuut en van artikel 3 van de AUB van artikel 45
18
Verzoeker stelt dat het TABG artikel 3, vijfde streepje, tweede volzin, van de AUB van artikel 45 heeft geschonden. Zijns inziens zijn zijn rapporten niet afgerond wegens een niet aan hem toerekenbaar feit, namelijk zijn ziekteverlof. Op grond van de bewoordingen van die bepaling kan zijn geval niet worden uitgesloten van de bevorderingsprocedure 2015. Het TABG heeft zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat het feit dat de op hem betrekking hebbende beoordelings- en bevorderingsprocedure worden uitgesteld tot de hervatting van zijn werkzaamheden, hem niet beroofde van zijn rechten krachtens de artikelen 43 en 45 van het Statuut. Een dergelijke benadering brengt veel bezwaren met zich, met name in het geval van overlijden of blijvende invaliditeit van de betrokken ambtenaar. Bovendien kan het TABG het feit dat hij niet heeft kunnen deelnemen aan de betrokken bevorderingsprocedure niet rechtvaardigen met het ontbreken van een vergelijkende beoordeling van zijn verdiensten, aangezien die omstandigheid hem niet kan worden verweten. Het TABG kon immers gebruikmaken van andere, hem ter beschikking staande informatie. Door niet aan artikel 3 van de AUB van artikel 45 te voldoen, heeft het TABG artikel 45 van het Statuut dus geschonden.
19
Het EUIPO antwoordt in wezen hierop dat artikel 3, vijfde streepje, tweede volzin, van de AUB van artikel 45 niet ziet op verzoekers geval, maar bijvoorbeeld op het geval waarin de beoordelaar afwezig is, terwijl de betrokken ambtenaar overeenkomstig zijn werkinstructies aanwezig is tijdens de bevorderingsronde. Deze uitlegging wordt bevestigd door het feit dat de beoordelingsrapporten nodig zijn om de vergelijking van de verdiensten van de voor bevordering in aanmerking komende ambtenaren naar behoren te verzekeren, hetgeen tevens blijkt uit artikel 3 van de AUB van artikel 45, die als algemene regel vereist dat die rapporten definitief zijn geworden. Aangezien een persoon die met ziekteverlof is, in het algemeen niet wordt geacht in staat te zijn, zijn beoordelingsrapport te betwisten en de termijnen van de procedure te eerbiedigen, was het EUIPO verplicht om verzoekers beoordelingsprocedures op te schorten en, volgens datzelfde beginsel, eveneens zijn bevorderingsprocedure op te schorten teneinde zijn procedurele rechten te waarborgen. Voorts is het EUIPO van mening dat de vergelijking van de verdiensten op basis van andere informatie dan die welke in de beoordelingsrapporten is opgenomen, slechts in laatste instantie moet plaatsvinden en alleen gerechtvaardigd is indien duidelijk blijkt dat geen naar behoren opgesteld rapport beschikbaar is, aangezien de betrokken ambtenaar niet in zijn ambt zal terugkeren. De zorgvuldigheid verplicht het EUIPO om zich ervan te vergewissen dat het besluit inzake verzoekers bevordering was genomen nadat hij de mogelijkheid heeft gehad om zijn mening over zijn verdiensten te geven. In antwoord op de door het Gerecht vastgestelde maatregel tot organisatie van de procesgang stelt het EUIPO tevens dat het in verzoekers belang is om te kunnen deelnemen aan een beoordelingsgesprek en de beoordelingsprocedure in haar geheel te volgen, in plaats van een procedure waarin het EUIPO zich op andere bruikbare informatie beroept, aangezien hij betrokken is bij een onderzoek van het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) dat, ook al is het na de vaststelling van het bestreden besluit ingesteld, de periode van het relevante beoordelingsjaar betreft. Het voegt hieraan toe dat de beoordelingsrapporten ervoor zorgen dat de rechten van het personeel middels het onderhoud en een bezwaarprocedure worden beschermd, hetgeen mogelijk niet het geval is indien de vergelijking van de verdiensten op andere beschikbare informatie berust.
20
In casu moet allereerst worden opgemerkt dat de motivering die relevant is voor de beoordeling van de wettigheid van het bestreden besluit, die is welke is opgenomen in het besluit tot afwijzing van de klacht. Uit dit besluit blijkt in wezen dat het TABG zich op het standpunt heeft gesteld dat artikel 3, vijfde streepje, tweede volzin, van de AUB van artikel 45 zag op situaties waarin het beoordelingsrapport van de ambtenaar niet was afgerond wegens, bijvoorbeeld, de afwezigheid van de beoordelaar of de tweede beoordelaar op het moment waarop hun aanwezigheid tijdens de beoordelingsprocedure nodig was. Het was derhalve van mening dat die bepaling niet van toepassing was op verzoekers geval. Voorts heeft het TABG aangegeven dat verzoeker wegens zijn ziekteverlof niet beschikte over beoordelingsrapporten over de jaren 2013 en 2014 en dat de op hem betrekking hebbende beoordelings- en bevorderingsprocedures waren opgeschort totdat hij zijn werkzaamheden zou hervatten. Het heeft gepreciseerd dat aangezien verzoekers bevorderingsprocedure wegens zijn gerechtvaardigde afwezigheid was opgeschort, voor de bevorderingsronde 2015 terecht geen rekening was gehouden met zijn vergeleken verdiensten. Ten slotte heeft het op grond van het voorgaande vastgesteld dat verzoekers naam terecht niet was opgenomen op de lijst van de in 2015 bevorderde ambtenaren.
21
In dit verband moet worden vastgesteld dat besluit C(2013) 8985 final van de Europese Commissie van 16 december 2013 betreffende de algemene uitvoeringsbepalingen van artikel 43 van het Statuut (hierna: „AUB van artikel 43”), en de AUB van artikel 45, bij gebreke van afwijking overeenkomstig artikel 110 van het Statuut mutatis mutandis van toepassing zijn op het EUIPO.
22
Volgens de bewoordingen van artikel 2 van de AUB van artikel 45 vindt de bevorderingsronde jaarlijks plaats.
23
Tijdens die jaarlijks georganiseerde ronde kan ten aanzien van een ambtenaar een bevorderingsbesluit worden genomen, dat wil zeggen kan hij in aanmerking komen voor bevordering indien hij voldoet aan vijf cumulatieve voorwaarden van artikel 3 van de AUB van artikel 45. De vijfde van die voorwaarden is, zoals het EUIPO heeft overwogen, dat de beoordelingsrapporten van de ambtenaar definitief zijn geworden krachtens de AUB van artikel 43. Artikel 3 bepaalt evenwel uitdrukkelijk dat „wanneer een beoordelingsrapport niet is afgerond wegens een vertraging die niet te wijten [wa]s aan de ambtenaar, hij deeln[am] aan de bevorderingsprocedure op basis van andere bruikbare informatie ter vervanging van het ontbreken van het beoordelingsrapport en dat ten aanzien van hem dus een bevorderingsbesluit k[on] worden genomen”.
24
Uit deze bepaling volgt dat de ambtenaar die aan de eerste vier voorwaarden van artikel 3 van de AUB van artikel 45 voldoet, maar wiens beoordelingsrapport niet definitief is geworden, toch als bevorderbaar moet worden beschouwd wanneer dat rapport niet kon worden afgerond als gevolg van een hem niet verwijtbare vertraging. De betrokken ambtenaar neemt in dat geval deel aan de bevorderingsprocedure op basis van andere bruikbare informatie ter compensatie van het ontbreken van het beoordelingsrapport.
25
In casu blijkt uit het dossier dat niet wordt betwist dat het ontbreken van verzoekers beoordelingsrapporten over de jaren 2013 en 2014 te wijten was aan zijn ziekteverlof, noch dat dit ziekteverlof een gerechtvaardigde afwezigheid vormde.
26
Derhalve dient te worden vastgesteld dat aangezien verzoekers ziekteverlof een gerechtvaardigde afwezigheid vormde, de onmogelijkheid om zijn beoordelingsrapporten over de jaren 2013 en 2014 af te ronden en, dientengevolge, het ontbreken daarvan, hem niet kon worden verweten. Ter terechtzitting heeft het EUIPO overigens erkend dat verzoekers ziekteverlof niet een hem verwijtbare omstandigheid vormde.
27
In een dergelijke situatie preciseert artikel 3, vijfde streepje, tweede volzin, van de AUB van artikel 45 echter dat de ambtenaar bevorderbaar is en recht heeft om deel te nemen aan de jaarlijkse bevorderingsprocedure op basis van andere bruikbare informatie. Door verzoeker het recht te ontzeggen om deel te nemen aan de bevorderingsprocedure 2015, op grond dat door zijn wegens ziekteverlof gerechtvaardigde afwezigheid een aantal van zijn beoordelingsrapporten niet had kunnen worden afgerond, heeft het TABG dus die bepaling geschonden en heeft het blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.
28
De door het EUIPO gegeven uitlegging van artikel 3, vijfde streepje, tweede volzin, van de AUB van artikel 45, namelijk dat die bepaling niet ziet op verzoekers situatie, is derhalve onjuist.
29
Het betoog van het EUIPO dat het, zoals blijkt onder onderdeel III, onder a), van de werkinstructies, verplicht zou zijn om verzoekers beoordelingsprocedure en, dientengevolge, zijn bevorderingsprocedure gedurende zijn ziekteverlof op te schorten, teneinde de procedurele rechten te waarborgen die hem bij die beoordelingsprocedure worden verleend, kan niet worden aanvaard. In verzoekers situatie, dat wil zeggen die waarin de opstelling van beoordelingsrapporten in het kader van de daartoe voorziene procedure niet tijdig genoeg kon geschieden om in aanmerking te worden genomen bij de relevante bevorderingsprocedure, had hij op grond van de AUB van artikel 45 het recht om als bevorderbaar te worden aangemerkt, om deel te nemen aan die bevorderingsprocedure en, dientengevolge, om deel te nemen aan de vergelijking van de verdiensten van ambtenaren die in het kader van de bevorderingsronde 2015 in aanmerking kwamen voor bevordering, waarbij rekening werd gehouden met andere bruikbare informatie ter compensatie van het ontbreken van zijn beoordelingsrapporten.
30
Bovendien moet worden opgemerkt dat de werkinstructies, als besluit van een agentschap dat aan het gehele personeel is meegedeeld en dat de betrokken ambtenaren een identieke behandeling met betrekking tot bevorderingen beoogt te garanderen, interne richtlijnen vormen. In beginsel bestaat er geen enkel beletsel dat het TABG middels een algemeen intern besluit regels geeft voor de uitoefening van de ruime beoordelingsbevoegdheid die het Statuut hem verleent. De bevoegdheid om van dergelijke interne richtlijnen gebruik te maken is echter onderworpen aan bepaalde beperkingen en, met name, aan de verplichting om het beginsel van de hiërarchie der normen in acht te nemen. Een interne richtlijn zoals de werkinstructies is een lagere norm dan het Statuut en dan de voor de toepassing daarvan vastgestelde regeling (zie in die zin en naar analogie arrest van 30 januari 2008, Strack/Commissie, T‑85/04, EU:T:2008:18, punten 37‑41 en aldaar aangehaalde rechtspraak). De werkinstructies van het EUIPO kunnen dus geen regels stellen die afwijken van de bepalingen van het Statuut of van de AUB van artikel 45.
31
Het betoog van het EUIPO dat de deelneming van een ambtenaar aan de bevorderingsprocedure op basis van andere informatie dan die in de beoordelingsrapporten pas in laatste instantie mag geschieden, kan evenmin overtuigend worden geacht. Ten eerste zij vastgesteld dat het EUIPO niet preciseert waarom verzoekers situatie niet een situatie „in laatste instantie” was die het gebruik rechtvaardigde van andere informatie ter vervanging van het ontbreken van zijn beoordelingsrapporten over de jaren 2013 en 2014. Voorts heeft het EUIPO ter terechtzitting desgevraagd erkend dat zijn uitlegging van artikel 3, vijfde streepje, tweede volzin, van de AUB van artikel 45, die met name werd geïllustreerd door de werkinstructies, geen betrekking zou hebben op een geval als dat van verzoeker, dat wil zeggen een gerechtvaardigde afwezigheid van meer dan een jaar. Deze uitlegging, waarmee het EUIPO weigert om de betrokken ambtenaar te laten deelnemen aan de relevante bevorderingsprocedure op basis van informatie die zijn beoordelingsrapporten vervangt en deze deelneming afhankelijk stelt van de hervatting van zijn werkzaamheden, houdt immers geen rekening met situaties waarin die ambtenaar niet tijdig zijn werkzaamheden hervat of deze zelfs nooit hervat.
32
Ten tweede is het TABG verplicht om de jaarlijkse bevorderingsronde te organiseren (zie in die zin arrest van 12 december 2002, Morello/Commissie, T‑338/00 en T‑376/00, EU:T:2002:314, punt 111), en kan het de deelneming van een ambtenaar aan de bevorderingsprocedure in het kader van die ronde niet een aantal jaren uitstellen, zoals in casu is geschied, wanneer die ambtenaar op grond van de AUB van artikel 45 bevorderbaar is.
33
Wat de kwestie betreft dat het EUIPO op grond van de zorgvuldigheidsplicht ervoor moet zorgen dat de betrokkene de mogelijkheid wordt geboden om zijn mening over zijn verdiensten te geven, moet in casu worden vastgesteld dat het EUIPO op geen enkel moment heeft geprobeerd om verzoeker in een situatie te brengen waarin hij die mogelijkheid heeft gehad. Het EUIPO heeft immers slechts verzoekers deelneming aan de bevorderingsprocedure in het kader van de bevorderingsronde 2015 wegens zijn ziekteverlof ten onrechte uitgesteld, in afwachting van de eventuele hervatting van zijn werkzaamheden. Het EUIPO mag echter niet in alle gevallen aannemen dat een ambtenaar die met ziekteverlof is, niet in staat is om naar behoren zijn mening over zijn verdiensten te geven. Maar zelfs al zou de opstelling van beoordelingsrapporten, zoals het EUIPO stelt, de bescherming van de rechten van de personeelsleden verzekeren door middel van het onderhoud en een bezwaarprocedure, hetgeen niet het geval zou zijn bij een vergelijking van de verdiensten op basis van andere informatie, er zij aan herinnerd dat tegen een besluit als het bestreden besluit een klacht kan worden ingediend en vervolgens, indien nodig, beroep kan worden ingesteld.
34
In casu is verzoeker, ofschoon hij met ziekteverlof was, per mail opgekomen tegen het feit dat zijn naam niet voorkwam op de lijst van ambtenaren die aan het CPP waren voorgedragen voor bevordering, overeenkomstig artikel 5, lid 7, van de AUB van artikel 45, heeft hij vervolgens krachtens artikel 90, lid 2, van het Statuut een klacht ingediend tegen het bestreden besluit en daarna het onderhavige beroep bij het Gerecht ingesteld, hetgeen eveneens afdoet aan het argument van het EUIPO dat het verplicht was om verzoekers bevorderingsprocedure op te schorten, omdat een ambtenaar die met ziekteverlof is, in het algemeen wordt geacht niet in staat te zijn om „zijn argumenten te formuleren en in te dienen of op de juiste wijze op te komen tegen besluiten betreffende zijn loopbaanverloop”.
35
Ten slotte is het argument dat het EUIPO ontleent aan het feit dat het OLAF een onderzoek naar verzoeker heeft ingesteld, in casu irrelevant. Ten eerste zij opgemerkt dat dit onderzoek, zoals het EUIPO zelf toegeeft, na het bestreden besluit is ingesteld. Ten tweede blijkt uit het besluit tot afwijzing van de klacht op geen enkele wijze dat verzoekers gedrag de reden voor het bestreden besluit was, daar het EUIPO verzoekers deelneming aan de bevorderingsprocedure in het kader van de bevorderingsronde 2015 slechts heeft uitgesteld in afwachting van de eventuele hervatting van zijn werkzaamheden.
36
Hieruit volgt dat de schending van artikel 3 van de AUB van artikel 45 bij de op verzoeker betrekking hebbende bevorderingsprocedure 2015 slechts een beslissende invloed op het verloop van die procedure en op het besluit om hem niet te bevorderen heeft kunnen hebben, voor zover hem niet is toegestaan om deel te nemen aan die bevorderingsprocedure.
37
Het bestreden besluit moet derhalve nietig worden verklaard, voor zover verzoeker niet in aanmerking is genomen voor de bevorderingsronde 2015.
38
Bovendien is het Gerecht van oordeel dat voor verzoekers herstel in zijn rechten opnieuw de mogelijkheid moet worden onderzocht om hem te laten deelnemen aan de bevorderingsprocedure 2015. Slechts wanneer dat is geschied kan het TABG een zinvol besluit over hem nemen en beoordelen of hij al dan niet met terugwerkende kracht ook op de lijst moet worden geplaatst van ambtenaren die in het kader van de bevorderingsronde 2015 zijn bevorderd. In dit verband heeft het EUIPO in antwoord op een door het Gerecht getroffen maatregel tot organisatie van de procesgang en ter terechtzitting gepreciseerd dat er geen budgettaire redenen waren die zich ertegen verzetten dat verzoeker eventueel met terugwerkende kracht wordt bevorderd, naast de ambtenaren die in het kader van de bevorderingsronde 2015 zijn bevorderd.
Overige door verzoeker aangevoerde middelen en argumenten
39
Gelet op de op grond van het eerste middel noodzakelijke nietigverklaring van het bestreden besluit, behoeft het tweede middel, ontleend aan schending van het beginsel van bescherming van het gewettigd vertrouwen, van het beginsel van behoorlijk bestuur en van de rechten van de verdediging alsmede een verkeerde opvatting van de feiten, niet te worden onderzocht. Ditzelfde geldt voor het derde middel, ontleend aan een kennelijk onjuiste beoordeling door het EUIPO als gevolg van zijn weigering om zijn beoordelingsbevoegdheid uit te oefenen. Het door verzoeker subsidiair gevoerde betoog, namelijk dat hij in de bevorderingsronde 2015 noodzakelijkerwijs had moeten worden bevorderd en dus had moeten worden opgenomen op de lijst van ambtenaren die in het kader van de bevorderingsronde 2015 zijn bevorderd, behoeft evenmin te worden onderzocht.
Kosten
40
Volgens artikel 134, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht wordt de in het ongelijk gestelde partij verwezen in de kosten, voor zover dat is gevorderd. Aangezien het EUIPO in het ongelijk is gesteld, moet het overeenkomstig de vordering van verzoeker in de kosten worden verwezen.
HET GERECHT (Derde kamer),
rechtdoende, verklaart:
1)
Het besluit van het Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO) van 24 juli 2015 tot vaststelling van de lijst van ambtenaren die in het kader van de bevorderingsronde 2015 zijn bevorderd, wordt nietig verklaard, voor zover Guillaume Vincenti niet in aanmerking is genomen voor de bevorderingsronde 2015.
2)
Het EUIPO wordt verwezen in de kosten.
Frimodt Nielsen
Kreuschitz
Półtorak
Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 14 november 2017.
ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Engels.
Amtliche Sprachfassungen
Diese Entscheidung liegt in folgenden Amtssprachen der Union vor — alle gleichermaßen verbindlich.
ČeštinaΕλληνικάEnglishEspañolFrançaisItalianoNederlandsPolskiPortuguêsRomână