EU-Rechtsprechung · Gericht der Europäischen Union
Hogere voorziening – Openbare dienst – Tijdelijk functionarissen – Verplaatsing van de vestigingsplaats van Cepol van Bramshill (Verenigd Koninkrijk) naar Boedapest (Hongarije) – Overplaatsing van personeel – Niet voor beroep vatbare handeling – Niet-ontvankelijkheid van het beroep voor het Gerecht voor ambtenarenzaken
ECLI: ECLI:EU:T:2018:723Entscheidung vom: 25.10.2018
ARREST VAN HET GERECHT (Kamer voor hogere voorzieningen)
25 oktober 2018 ( *1 )
„Hogere voorziening – Openbare dienst – Tijdelijk functionarissen – Verplaatsing van de vestigingsplaats van Cepol van Bramshill (Verenigd Koninkrijk) naar Boedapest (Hongarije) – Overplaatsing van personeel – Niet voor beroep vatbare handeling – Niet-ontvankelijkheid van het beroep voor het Gerecht voor ambtenarenzaken”
In zaak T‑334/16 P,
betreffende een hogere voorziening tegen het arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken van de Europese Unie (Derde kamer) van 11 april 2016, FN e.a./Cepol (F‑41/15 DISS II, EU:F:2016:70), strekkende tot vernietiging van dit arrest,
FN, tijdelijk functionaris van het Agentschap van de Europese Unie voor opleiding op het gebied van rechtshandhaving,
FP, tijdelijk functionaris van het Agentschap van de Europese Unie voor opleiding op het gebied van rechtshandhaving,
FQ, tijdelijk functionaris van het Agentschap van de Europese Unie voor opleiding op het gebied van rechtshandhaving,
vertegenwoordigd door L. Levi en A. Blot, advocaten,
rekwiranten,
andere partij in de procedure
Agentschap van de Europese Unie voor opleiding op het gebied van rechtshandhaving (Cepol), aanvankelijk vertegenwoordigd door F. Bánfi en R. Woldhuis, vervolgens door R. Woldhuis en D. Schroeder als gemachtigden, bijgestaan door B. Wägenbaur, advocaat,
verweerder in eerste aanleg,
wijst
HET GERECHT (Kamer voor hogere voorzieningen),
samengesteld als volgt: M. Jaeger, president, M. van der Woude (rapporteur), S. Frimodt Nielsen, H. Kanninen en D. Gratsias, rechters,
griffier: P. Cullen, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 16 januari 2018,
het navolgende
Arrest
1
Met hun krachtens artikel 9 van bijlage I bij het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie ingestelde hogere voorziening vragen rekwiranten, FN, FP en FQ, om vernietiging van het arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken van de Europese Unie (Derde kamer) van 11 april 2016, FN e.a./Cepol (F‑41/15 DISS II, EU:F:2016:70; hierna: „bestreden arrest”), waarbij hun beroep is verworpen dat ten eerste strekte tot nietigverklaring van besluit nr. 17/2014/DIR van de directeur van de Europese Politieacademie (Cepol) [thans Agentschap van de Europese Unie voor opleiding op het gebied van rechtshandhaving (Cepol)] van 23 mei 2014 over de verhuizing van Cepol naar Boedapest (Hongarije) (hierna: „litigieus besluit”) en, voor zover nodig, van de besluiten van Cepol van 28 november 2014 tot afwijzing van hun klachten tegen het litigieuze besluit (hierna: „besluiten tot afwijzing van de klachten”), en ten tweede tot veroordeling van Cepol tot vergoeding de schade die zij zouden hebben geleden.
Aan het geding ten grondslag liggende feiten
2
De aan het geding ten grondslag liggende feiten zijn uiteengezet in de stukken van partijen voor het Gerecht voor ambtenarenzaken en in de punten 7 tot en met 38 van het bestreden arrest. Ten behoeve van het onderhavige arrest kunnen zij worden samengevat als volgt.
3
Op 22 december 2000 heeft de Raad van de Europese Unie besluit 2000/820/JBZ tot oprichting van Cepol (PB 2000, L 336, blz. 1) vastgesteld.
4
Bij besluit 2004/97/EG, Euratom, in onderlinge overeenstemming genomen door de vertegenwoordigers van de lidstaten, op het niveau van de staatshoofden en regeringsleiders bijeen, van 13 december 2003 inzake de vestigingsplaatsen van bepaalde bureaus en organen van de Europese Unie (PB 2004, L 29, blz. 15), is bepaald dat Cepol werd gevestigd in Bramshill (Verenigd Koninkrijk).
5
Op 20 september 2005 heeft de Raad besluit 2005/681/JBZ tot oprichting van Cepol en tot intrekking van besluit 2000/820 (PB 2005, L 256, blz. 63), vastgesteld. Artikel 4 van besluit 2005/681 bepaalt dat „[d]e zetel van [Cepol] is gevestigd in Bramshill in het Verenigd Koninkrijk”.
6
Tussen 2009 en 2012 heeft Cepol rekwiranten aangesteld in de hoedanigheid van tijdelijk functionarissen in de zin van artikel 2 van de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Unie (hierna: „RAP”). In artikel 2, tweede alinea, van hun aanstellingsovereenkomst was bepaald dat „[d]e plaats van tewerkstelling de officiële zetel van Cepol te Bramshill in het Verenigd Koninkrijk [was]”.
7
Op 12 december 2012 heeft de minister van Binnenlandse Zaken van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland de directeur van Cepol op de hoogte gesteld van het besluit van zijn ministerie om het nationale opleidingscentrum van de Britse politie, gevestigd op het terrein te Bramshill waar zich ook de ruimten van Cepol bevonden, te sluiten. De minister van Binnenlandse Zaken gaf aan dat het terrein in 2014 zou worden verkocht en dat hij op de hoogte was van het voornemen van de Europese Commissie om begin 2013 een voorstel te doen tot vaststelling van een nieuwe regeling voor de functionering van Cepol, waarin eventueel de fusie van Cepol met de Europese Politiedienst (Europol) was voorzien. Hij preciseerde dat de vaststelling van die nieuwe regeling de lidstaten de gelegenheid zou bieden om het eens te worden over de vaststelling van een nieuwe vestigingsplaats voor Cepol indien dit volledig een agentschap van de Europese Unie zou blijven.
8
Op 8 oktober 2013 hebben de lidstaten buiten het kader van een zitting „Justitie en Binnenlandse Zaken” van de Raad in onderlinge overeenstemming besloten dat Cepol volledig een agentschap van de Unie zou blijven en dat het, zodra het Bramshill had verlaten, zou worden ondergebracht in Boedapest.
9
Op 15 mei 2014 hebben het Europees Parlement en de Raad verordening (EU) nr. 543/2014 houdende wijziging van besluit 2005/681 (PB 2014, L 163, blz. 5), vastgesteld. Op grond van artikel 1 van die verordening wordt artikel 4 van besluit 2005/681 gewijzigd als volgt: „De zetel van [Cepol] is gevestigd in Boedapest in Hongarije”.
10
Op 23 mei 2014 heeft de directeur van Cepol in zijn hoedanigheid van tot het aangaan van aanstellingsovereenkomsten bevoegd gezag (hierna: „TAOBG”) het litigieuze besluit vastgesteld. Artikel 1 van dit besluit, „Verhuisdatum”, bepaalt dat „van alle personeelsleden wordt verwacht […] dat zij op 1 oktober 2014, of op een tussen de directeur en het [betrokken] personeelslid overeen te komen datum, aan het werk gaan op het nieuwe hoofdkantoor van Cepol […] te Boedapest en dat niet-opvolging van deze instructie zal worden aangemerkt als ontslagname met ingang van 30 september 2014”.
11
Artikel 2 van het litigieuze besluit, „Informatie van Cepol door het personeel”, luidt:
„Elk personeelslid wordt verzocht om de directeur vóór 30 juni 2014 schriftelijk mee te delen of hij/zij van plan is aan het werk te gaan in de nieuwe [vestigingsplaats] van Cepol;
Wanneer het [betrokken] personeelslid de directeur binnen die termijn meedeelt dat hij [of] zij niet naar Boedapest wenst te verhuizen, kan de directeur deze informatie gebruiken om een procedure te starten teneinde een reservelijst voor de post van dat personeelslid op te stellen.
De personeelsleden worden herinnerd aan de in hun overeenkomst opgenomen opzegtermijn bij ontslagname. De directeur kan op individuele basis [een] wijziging van de voorwaarden van de opzegtermijn overeenkomen.”
12
Op 30 juni 2014 hebben rekwiranten de directeur van Cepol meegedeeld dat zij hun respectieve arbeidsverhouding in de nieuwe vestigingsplaats van Cepol te Boedapest wensten voort te zetten, maar dat hun antwoord hen niet bond en niet vooruitliep op de wettigheid van de procedure.
13
Op 13 respectievelijk 18 en 19 augustus 2014 hebben rekwiranten uit hoofde van artikel 90, lid 2, van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie (hierna: „Statuut”) een klacht ingediend tegen het litigieuze besluit. FP betoogde in wezen dat het litigieuze besluit ten eerste in strijd was met zijn aanstellingsovereenkomst, aangezien zijn plaats van tewerkstelling eenzijdig werd gewijzigd, en ten tweede met de gewettigde verwachtingen ten aanzien van zijn salaris, die afhingen van de toepassing van de aanpassingscoëfficiënt voor het Verenigd Koninkrijk.
14
FQ en FN stelden beiden dat de wijziging van hun plaats van tewerkstelling een buitengewone en niet-voorzienbare gebeurtenis was die hun zonder hun instemming en een adequate financiële vergoeding niet kon worden opgelegd. FQ beklaagde zich er tevens over dat de aanpassingscoëfficiënt voor Hongarije voortaan op zijn salaris zou worden toegepast in plaats van de hogere aanpassingscoëfficiënt voor het Verenigd Koninkrijk, die hij voor zijn hele aanstelling had verwacht. Onder deze omstandigheden was hij van mening dat hij een adequate financiële vergoeding moest krijgen.
15
FN beriep zich tevens op schending van het beginsel van bescherming van het gewettigd vertrouwen, gelet op de nauwkeurige en duidelijke toezeggingen die hem waren gedaan dat hij gedurende zijn aanstellingsduur in Bramshill zou werken. Bovendien leverde hij kritiek op de korte termijn die hem was gegeven om Cepol op de hoogte te stellen van zijn voornemen om al dan niet aan het werk te gaan in de nieuwe vestigingsplaats van Cepol te Boedapest, en het feit dat het litigieuze besluit hem alleen ontslagname zonder financiële compensatie als alternatief voor een overplaatsing bood.
16
Op 1 oktober 2014 zijn rekwiranten aan het werk gegaan in de nieuwe vestigingsplaats van Cepol te Boedapest.
17
Op 28 november 2014 heeft de directeur van Cepol in zijn hoedanigheid van TAOBG de klachten van rekwiranten afgewezen. Hiertoe beklemtoonde hij met name het volgende: ten eerste was het besluit om de zetel van Cepol te verplaatsen genomen door de wetgever van de Unie, die ter zake over een ruime beoordelingsbevoegdheid beschikt; ten tweede hadden rekwiranten geen nauwkeurige toezegging gekregen dat gedurende hun hele aanstellingsduur de aanpassingscoëfficiënt voor het Verenigd Koninkrijk zou worden toegepast; ten derde kon het TAOBG overeenkomstig de rechtspraak in het belang van de dienst besluiten om zijn personeelsleden in andere plaatsen tewerk te stellen; ten vierde was het niet in het belang van de dienst van Cepol om personeel in Bramshill te houden, terwijl de activiteiten en de werkzaamheden van Cepol thans in Boedapest waren; ten vijfde, in de besluiten tot afwijzing van de klachten van FN en FQ, was het personeel van Cepol reeds geruime tijd op de hoogte van de wijziging van de vestigingsplaats van Cepol, ook al was het precieze tijdschema pas bekendgemaakt in mei 2014, en werd de korte antwoordtermijn in het litigieuze besluit verklaard door de noodzaak om snel de verhuizing van Cepol te organiseren, gelet op het verzoek van de minister van Binnenlandse zaken van het Verenigd Koninkrijk om het terrein te Bramshill te ontruimen vóór 30 september 2014, en ten zesde, wat het verzoek om financiële compensatie van FQ betreft, kwam hij onder de in het Statuut voorziene voorwaarden in aanmerking voor vergoeding van zijn verhuiskosten en voor de dag- en de inrichtingsvergoeding.
Procedure in eerste aanleg en bestreden arrest
18
Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht voor ambtenarenzaken op 9 maart 2015 en ingeschreven onder nummer F‑41/15, hebben FK, FL, FM en FO alsmede de andere rekwiranten met name verzocht om nietigverklaring van het litigieuze besluit en, voor zover nodig, van de besluiten tot afwijzing van de klachten alsmede om veroordeling van Cepol tot vergoeding van de schade die zij zouden hebben geleden.
19
Bij beschikking van 16 september 2015, FK e.a./Cepol (F‑41/15, niet gepubliceerd, EU:F:2015:104), heeft de president van de Derde kamer van het Gerecht voor ambtenarenzaken, waaraan de zaak was toegewezen, krachtens artikel 44, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht voor ambtenarenzaken beslist om de beroepen van FL, FM en FO enerzijds en die van rekwiranten anderzijds, te scheiden van het beroep van FK. Het beroep in zaak F‑41/15, voor zover dat door rekwiranten is ingesteld, is daarop ingeschreven onder nummer F‑41/15 DISS II.
20
Bij brief van de griffie van het Gerecht voor ambtenarenzaken van 27 oktober 2015 zijn rekwiranten ervan op de hoogte gesteld dat het Gerecht voor ambtenarenzaken krachtens artikel 55, lid 1, van zijn Reglement voor de procesvoering had besloten dat een tweede memoriewisseling nodig was. In dit kader is rekwiranten in wezen verzocht om in repliek een standpunt in te nemen over de ontvankelijkheid van hun vorderingen tot nietigverklaring en tot schadevergoeding.
21
Op 11 april 2016 heeft het Gerecht voor ambtenarenzaken het bestreden arrest gewezen, waarbij het beroep van rekwiranten is verworpen en zij in alle kosten zijn verwezen.
22
In de eerste plaats heeft het Gerecht voor ambtenarenzaken in de punten 47 tot en met 49 van het bestreden arrest de niet-ontvankelijkheidsmiddelen van Cepol, die waren ontleend aan het bevestigende karakter van het litigieuze besluit respectievelijk aan het feit dat dit besluit slechts de concretisering vormde, op grond van een gebonden bevoegdheid, van het besluit van de wetgever van de Unie om de zetel van Cepol naar Boedapest te verplaatsen, waartegen rekwiranten geen beroep hadden ingesteld en geen exceptie van onwettigheid hadden aangevoerd, afgewezen op grond van de volgende redenen:
„47
Om te beginnen zij eraan herinnerd dat zelfs al staat vast dat verzoekers elk ermee hebben ingestemd om in Boedapest te gaan werken, die instemming niet betekent dat het bestreden besluit geen bezwarend besluit is (arrest van 11 juli 1996, Ortega Urretavizcaya/Commissie, T‑587/93, EU:T:1996:100, punt 28).
48
Vervolgens stelt het Gerecht vast dat het TAOBG van Cepol bij het bestreden besluit alle personeelsleden van het agentschap ervan op de hoogte heeft gesteld dat het krachtens besluit 2005/681/JBZ, zoals gewijzigd bij verordening nr. 543/2014, een besluit had genomen over de plaats en de datum van de nieuwe standplaats van het personeel van het agentschap. Uit het bestreden besluit blijkt immers dat het personeel van het agentschap in beginsel op 1 oktober 2014 in Boedapest aan de slag moest gaan.
49
Hoewel die mededeling uitvoering geeft aan een handeling van algemene strekking van de Raad en het Parlement, moet zij worden aangemerkt als een besluit dat voor verzoekers bezwarend is, aangezien het hun standplaats wijzigt onder voorwaarden die onwettig zouden zijn. Het bestreden besluit is derhalve een voor beroep vatbare handeling (zie in die zin arrest van 24 februari 1981, Carbognani en Coda Zabetta/Commissie, 161/80 en 162/80, EU:C:1981:51, punt 14), zodat de door Cepol aangevoerde exceptie van niet-ontvankelijkheid moet worden afgewezen.”
23
In de tweede plaats heeft het Gerecht voor ambtenarenzaken in de punten 50 en 51 van het bestreden arrest vastgesteld dat uitspraak moest worden gedaan over de wettigheid van zowel het litigieuze besluit als de besluiten tot afwijzing van de klachten, aangezien laatstgenoemde besluiten nieuwe standpunten van het TAOBG van Cepol inhielden in antwoord op de door rekwiranten in hun klachten geformuleerde verzoeken en argumenten.
24
In de derde plaats heeft het Gerecht voor ambtenarenzaken de drie middelen die rekwiranten ter onderbouwing van hun vordering tot nietigverklaring hadden aangevoerd, en welke waren ontleend aan ten eerste schending van artikel 47 RAP, ten tweede schending van de contractuele bepalingen die rekwiranten aan Cepol bonden en van hun verworven rechten, en ten derde niet-nakoming van de zorgplicht en schending van de beginselen van gewettigd vertrouwen en behoorlijk bestuur, afgewezen.
25
Ten eerste heeft het Gerecht voor ambtenarenzaken in de punten 56 en 57 van het bestreden arrest het eerste middel van rekwiranten, waarmee zij Cepol in wezen verweten dat het artikel 47 RAP had geschonden, door in artikel 1 van het litigieuze besluit te bepalen dat een weigering om in de nieuwe vestigingsplaats van Cepol te gaan werken zou worden aangemerkt als ontslagname, afgewezen. Hiertoe heeft het Gerecht voor ambtenarenzaken vastgesteld dat het TAOBG van Cepol in het geval van rekwiranten geen uitvoering had gegeven aan die waarschuwing, aangezien zij ermee hadden ingestemd om hun respectieve contractuele verhouding met Cepol voort te zetten en op 1 oktober 2014 aan het werk te gaan in de nieuwe vestigingsplaats.
26
In de punten 58 tot en met 62 van het bestreden arrest heeft het Gerecht voor ambtenarenzaken hieraan toegevoegd dat het eerste middel in elk geval ongegrond was. Na te hebben beklemtoond dat het feit dat een personeelslid niet op het werk verschijnt volgens de rechtspraak kan worden aangemerkt als ontslagname in de zin van artikel 47 RAP, heeft het opgemerkt dat het TAOBG van Cepol over geen enkele speelruimte beschikte bij de toepassing van artikel 4 van besluit 2005/681, zoals gewijzigd bij verordening nr. 543/2014, waaruit impliciet maar noodzakelijkerwijs blijkt dat de wetgever van de Unie had besloten om het personeel van Cepol over te plaatsen naar Boedapest.
27
Volgens het Gerecht voor ambtenarenzaken dient elke ambtenaar of functionaris van de Unie elke aanstelling te aanvaarden die in overeenstemming is met de functiegroep en de rang van zijn ambt, overeenkomstig de vereisten van de dienst, en wel in de gehele Unie, in elke standplaats van de instelling of het agentschap waarbij hij werkzaam is. Voorts dient hij overeenkomstig artikel 20 van het Statuut, dat op grond van de artikelen 11 en 81 RAP van overeenkomstige toepassing is op tijdelijke functionarissen en arbeidscontractanten, in zijn standplaats te wonen of op zodanige afstand daarvan dat hij niet wordt gehinderd in de uitoefening van zijn functie.
28
Het Gerecht voor ambtenarenzaken heeft op grond hiervan vastgesteld dat het TAOBG van Cepol niet kon worden verweten dat het de personeelsleden van Cepol had gevraagd om in zijn nieuwe vestigingsplaats te Boedapest te gaan werken. Tevens gelet op de ruime beoordelingsbevoegdheid van Cepol bij de organisatie en de structurering van zijn diensten, heeft het Gerecht voor ambtenarenzaken derhalve geoordeeld dat Cepol in de bijzondere omstandigheden van het geval bij de uitoefening van zijn ruime beoordelingsbevoegdheid in elk geval kon beslissen dat de weigering van een van zijn personeelsleden om in de nieuwe vestigingsplaats van Cepol te Boedapest te gaan werken, gelijkstond aan ontslagname.
29
Ten tweede heeft het Gerecht voor ambtenarenzaken in de punten 68 tot en met 74 van het bestreden arrest het argument afgewezen dat rekwiranten ter onderbouwing van hun tweede middel hadden aangevoerd, namelijk dat het TAOBG van Cepol hun respectieve aanstellingsovereenkomst en hun verworven rechten had geschonden, door hen over te plaatsen zonder hun instemming.
30
Ten derde heeft het Gerecht voor ambtenarenzaken in de punten 81 tot en met 99 van het bestreden arrest het derde middel afgewezen, waarmee rekwiranten zich allereerst beriepen op schending van het gewettigd vertrouwen dat zij in de bestendigheid van hun standplaats mochten hebben, voorts op schending van het beginsel van behoorlijk bestuur wegens de te korte bedenktijd die hun was gegeven om te beslissen of zij hun respectieve arbeidsverhouding met Cepol al dan niet te Boedapest zouden voortzetten en wegens het ontbreken van de invoering van een overgangsregeling door Cepol, en ten slotte op een niet-nakoming van de zorgplicht. In het kader van het onderzoek van dit middel heeft het Gerecht voor ambtenarenzaken eveneens het argument afgewezen dat rekwiranten ter onderbouwing van hun tweede middel hadden aangevoerd, namelijk dat het TAOBG van Cepol hun, in plaats van hun standplaats te wijzigen, had kunnen voorstellen om op afstand vanuit hun woonplaats in het Verenigd Koninkrijk te werken, met behoud van de aanpassingscoëfficiënt voor die lidstaat, of hun een financiële vergoeding had kunnen voorstellen al dan niet met beëindiging van hun werkzaamheden.
31
In de vierde plaats heeft het Gerecht voor ambtenarenzaken de schadevordering van rekwiranten onderzocht. In de punten 106 tot en met 113 heeft het deze om de volgende redenen afgewezen:
„106
De precontentieuze procedure in een beroep tot schadevergoeding verschilt naargelang de schade waarvan vergoeding wordt gevorderd is veroorzaakt door een bezwarend besluit in de zin van artikel 90, lid 2, van het Statuut, of door een gedraging van de administratie die geen besluit is. In het eerste geval dient de betrokkene binnen de gestelde termijn bij het tot aanstelling bevoegde gezag of het TAOBG een klacht in te dienen tegen de betrokken handeling. In het tweede geval moet de administratieve procedure daarentegen beginnen met de indiening van een verzoek in de zin van artikel 90, lid 1, van het Statuut teneinde vergoeding van de schade te verkrijgen en moet deze eventueel worden voortgezet met een klacht tegen het besluit tot afwijzing van het verzoek (beschikking van 25 februari 1992, Marcato/Commissie, T‑64/91, EU:T:1992:22, punten 32 en 33; arrest van 6 november 1997, Liao/Raad, T‑15/96, EU:T:1997:169, punt 57, en beschikking van 20 maart 2014, Michel/Commissie, F‑44/13, EU:F:2014:40, point 43).
107
Volgens vaste rechtspraak staat de juridische kwalificatie van een brief van een ambtenaar als ‚verzoek’ in de zin van artikel 90, lid 1 van het Statuut of als ‚klacht’ in de zin van artikel 90, lid 2, van het Statuut, uitsluitend ter beoordeling van de rechter en is deze niet afhankelijk van de wil van partijen (arresten van 30 april 1998, Cordiale/Parlement, T‑205/95, EU:T:1998:76, punt 34, en 15 februari 2011, AH/Commissie, F‑76/09, EU:F:2011:12, punt 38, en beschikking van 16 december 2015, Bärwinkel/Raad, F‑118/14, EU:F:2015:154, punt 61).
108
In casu staat vast dat het TAOBG in het bestreden besluit geen standpunt heeft ingenomen over de statutaire financiële gevolgen voor elk van de verzoekers afzonderlijk. Meer bepaald vermeldt het besluit niets over de toepassing van de aanpassingscoëfficiënt voor Hongarije in plaats van die voor het Verenigd Koninkrijk.
109
Zo blijkt uit het dossier dat verzoekers, zoals Cepol stelt, pas in het kader van hun respectieve klachten, nadat zij reeds ermee hadden ingestemd om in Boedapest te gaan werken, het TAOBG formeel hebben gevraagd daarbij ook maatregelen te treffen om de verlaging van hun nettosalaris, die in casu met name het gevolg is van de toepassing van de aanpassingscoëfficiënt voor Hongarije, op redelijke wijze te compenseren. Het Gerecht is daarom van oordeel dat verzoekers’ aanspraak op een redelijke financiële vergoeding in verband met hun respectieve overplaatsing naar Boedapest, een verzoek in de zin van artikel 90, lid 1, van het Statuut vormde, welk verzoek het TAOBG in het kader van de besluiten tot afwijzing van de klachten heeft afgewezen.
110
Gelet op het feit dat verzoekers vóór de instelling van het onderhavige beroep geen klacht uit hoofde van artikel 90, lid 2, van het Statuut hebben ingediend tegen de weigering van het TAOBG, zoals geconcretiseerd in de besluiten tot afwijzing van de klachten, om hun een redelijke financiële vergoeding te geven, moet de schadevordering die zij in verband met hun vermeende materiële schade hebben ingediend, niet ontvankelijk worden verklaard wegens niet-eerbiediging van de vereisten van de precontentieuze procedure.
111
Zelfs al wordt aangenomen dat de vordering tot vergoeding van de materiële schade een nauwe samenhang vertoont met de vordering tot nietigverklaring van het bestreden besluit en van de besluiten tot afwijzing van de klachten, dan nog valt haar hetzelfde lot ten deel als de vordering tot nietigverklaring en moet zij dus in elk geval worden afgewezen (arrest van 15 december 2015, Bonazzi/Commissie, F‑88/15, EU:F:2015:150, punt 105en aldaar aangehaalde rechtspraak).
112
Bovendien en zoals in punt 84 van dit arrest in herinnering is gebracht worden in de context van de overplaatsing van de betrokken ambtenaren en functionarissen naar een andere vestigingsplaats van de instelling of het agentschap waarbij zij werkzaam zijn, de problemen van persoonlijke en huiselijke aard die de uitoefening van de dienst onder die omstandigheden kan meebrengen, gecompenseerd door de statutaire financiële vergoedingen, met name de ontheemdingstoelage, de inrichtingsvergoeding, de dagvergoeding en de vergoeding van de verhuiskosten naar de nieuwe standplaats alsmede de reiskosten naar de plaats van herkomst.
113
Wat verzoekers’ aanspraken betreft om na hun respectieve overplaatsing naar Boedapest te blijven profiteren van de aanpassingscoëfficiënt voor het Verenigd Koninkrijk, deze moeten, zoals in de punten 95 tot en met 98 van dit arrest is vastgesteld, worden afgewezen.”
32
In de punten 117 en 118 van het bestreden arrest heeft het Gerecht voor ambtenarenzaken geoordeeld dat de vordering tot vergoeding van de immateriële schade die rekwiranten hadden ondervonden een nauwe samenhang vertoonde met de vordering tot nietigverklaring, zodat deze als gevolg van de afwijzing van laatstgenoemde vordering eveneens moest worden afgewezen.
Procedure bij het Gerecht en conclusies van partijen
33
Bij memorie, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 20 juni 2016, hebben rekwiranten de onderhavige hogere voorziening ingesteld. Bij brief die dezelfde dag ter griffie van het Gerecht is neergelegd, hebben rekwiranten verzocht om anonimiteit, welk verzoek het Gerecht heeft ingewilligd bij beslissing van 15 juli 2016.
34
Op 21 september 2016 heeft Cepol zijn memorie van antwoord neergelegd.
35
Op 1 december 2016 heeft het Gerecht na een met redenen omkleed verzoek van rekwiranten een tweede memoriewisseling toegestaan, overeenkomstig artikel 201, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht. Partijen hebben die memories binnen de gestelde termijn neergelegd.
36
Bij brief, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 11 april 2017, hebben rekwiranten uit hoofde van artikel 207, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering een met redenen omkleed verzoek ingediend om te worden gehoord in het kader van de mondelinge behandeling. Op voorstel van de rechter-rapporteur heeft het Gerecht (Kamer voor hogere voorzieningen) aan dit verzoek voldaan en dus de mondelinge behandeling geopend.
37
Bij beslissing van 20 september 2017 heeft het Gerecht krachtens artikel 28, leden 1 tot en met 3, van zijn Reglement voor de procesvoering op voorstel van de Kamer voor hogere voorzieningen de onderhavige zaak naar de uitgebreide rechtsprekende formatie verwezen.
38
Bij brieven van de griffie van het Gerecht van 9 november 2017 heeft het Gerecht partijen in het kader van de in artikel 89 van het Reglement voor de procesvoering voorziene maatregelen tot organisatie van de procesgang verzocht om schriftelijk te antwoorden op twee vragen over de ontvankelijkheid van de vordering tot nietigverklaring die in eerste aanleg was ingediend. Meer bepaald heeft het Gerecht partijen met de eerste vraag gevraagd in hoeverre artikel 1 van het litigieuze besluit bezwarend voor hen was, voor zover het ten eerste bepaalde dat „van alle personeelsleden wordt verwacht […] dat zij op 1 oktober 2014, of op een tussen de directeur en het [betrokken] personeelslid overeen te komen datum, aan het werk [gingen] op het nieuwe hoofdkantoor van Cepol […] te Boedapest”, en ten tweede dat „niet-opvolging van deze instructie [zou] worden aangemerkt als ontslagname met ingang van 30 september 2014”. Wat dit laatste betreft, verzocht het Gerecht partijen om te preciseren of artikel 1 van het litigieuze besluit aldus moest worden uitgelegd dat er automatisch van moest worden uitgegaan dat een personeelslid dat op 1 oktober 2014 niet aan de slag zou zijn gegaan, ontslag had genomen, zonder onderzoek van geval tot geval.
39
Partijen hebben binnen de gestelde termijn aan dit verzoek voldaan.
40
In het kader van de in punt 38 hierboven bedoelde maatregelen tot organisatie van de procesgang heeft het Gerecht partijen eveneens verzocht om ter terechtzitting mondeling te antwoorden op drie vragen over de grond van de zaak en op een vraag over het onderzoek, door het Gerecht voor ambtenarenzaken, van de ontvankelijkheid van hun vordering tot vergoeding van de materiële schade die zij zouden hebben geleden. Meer bepaald heeft het Gerecht partijen met deze laatste vraag gevraagd of het Gerecht voor ambtenarenzaken zich had uitgesproken over het bestaan van een rechtstreeks verband tussen deze vordering en de vordering tot nietigverklaring van het litigieuze besluit en de besluiten tot afwijzing van de klachten, en of het zijn eventuele oordeel daarover rechtens genoegzaam had gemotiveerd.
41
Partijen zijn ter terechtzitting van 16 januari 2018 in hun pleidooien en hun antwoorden op de schriftelijke en mondelinge vragen van het Gerecht gehoord.
42
Rekwiranten verzoeken het Gerecht:
–
het bestreden arrest te vernietigen;
–
en dientengevolge:
–
het litigieuze besluit en, voor zover nodig, de besluiten tot afwijzing van de klachten nietig te verklaren;
–
Cepol te veroordelen tot vergoeding van de geleden materiële en immateriële schade;
–
Cepol te verwijzen in de kosten van de beide instanties.
43
Cepol verzoekt het Gerecht:
–
de hogere voorziening af te wijzen;
–
het bestreden arrest te bekrachtigen;
–
rekwiranten te verwijzen in de kosten van de beide instanties.
Hogere voorziening
44
Ter onderbouwing van hun hogere voorziening voeren rekwiranten drie middelen aan. Met de eerste twee middelen, ontleend aan een verkeerde rechtsopvatting bij de toepassing van artikel 47 RAP respectievelijk aan een verkeerde rechtsopvatting bij de uitlegging van de verworven rechten van rekwiranten en van de contractuele bepalingen die hen aan Cepol verbinden en bij de toepassing van het beginsel van behoorlijk bestuur en de zorgplicht, alsmede aan schending van het beginsel van gelijke behandeling, niet-nakoming van de motiveringsplicht en een onjuiste opvatting van de feiten, komen rekwiranten op tegen de afwijzing van hun vordering tot nietigverklaring. Met het derde middel, dat met name is ontleend aan schending van artikel 90 van het Statuut, komen zij op tegen de afwijzing van hun vordering tot vergoeding van de materiële schade die zij zouden hebben geleden.
45
Rekwiranten komen echter niet uitdrukkelijk op tegen de afwijzing, door het Gerecht voor ambtenarenzaken, van hun vordering tot vergoeding van de immateriële schade die zij zouden hebben geleden. In hun hogere voorziening stellen zij slechts dat die schade rechtstreeks verband houdt met hun vordering tot nietigverklaring. Zoals uit punt 32 hierboven blijkt, heeft het Gerecht voor ambtenarenzaken in de punten 117 en 118 van het bestreden arrest echter vastgesteld dat de vordering tot vergoeding van de immateriële schade nauw verband hield met de vordering tot nietigverklaring en om die reden ook moest worden afgewezen.
46
Onder deze omstandigheden moet in de eerste plaats de afwijzing, bij het bestreden arrest, van de vordering tot nietigverklaring van rekwiranten worden onderzocht, en in de tweede plaats de afwijzing, bij datzelfde arrest, van de vordering tot vergoeding van de materiële schade die zij zouden hebben geleden.
Afwijzing van de in eerste aanleg geformuleerde vordering tot nietigverklaring
47
Om te beginnen zij eraan herinnerd dat het Gerecht voor ambtenarenzaken de vordering tot nietigverklaring van rekwiranten in de punten 53 tot en met 99 van het bestreden arrest ongegrond heeft verklaard. Daaraan voorafgaand heeft het in de punten 47 tot en met 49 van het bestreden arrest vastgesteld dat het litigieuze besluit voor rekwiranten bezwarend was. In punt 51 van dat arrest heeft het geoordeeld dat de besluiten tot afwijzing van de klachten in vergelijking met het litigieuze besluit nieuwe standpunten van het TAOBG van Cepol bevatten in antwoord op de verzoeken en argumenten die rekwiranten in hun respectieve klachten hadden uiteengezet, en dat het zich derhalve diende uit te spreken over de wettigheid van zowel het litigieuze besluit als de besluiten tot afwijzing van de klachten.
48
Cepol heeft uit hoofde van artikel 202, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering geen incidentele hogere voorziening ingesteld strekkende tot vernietiging van de beslissingen van het Gerecht voor ambtenarenzaken over de ontvankelijkheid van de vordering tot nietigverklaring van rekwiranten.
49
Opgemerkt zij echter dat wanneer bij het Gerecht uit hoofde van artikel 9 van bijlage I bij het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie een hogere voorziening is ingesteld, het krachtens artikel 129 van het Reglement voor de procesvoering op elk moment kan beslissen om niet-ontvankelijkheidsmiddelen van openbare orde te onderzoeken. Daar de voorwaarden voor de ontvankelijkheid van een beroep krachtens de artikelen 90 en 91 van het Statuut van openbare orde zijn, moet het Gerecht deze zo nodig ambtshalve onderzoeken, met dien verstande dat partijen eerst zijn gevraagd om hun opmerkingen in te dienen. Het bestaan van een bezwarend besluit in de zin van artikel 90, lid 2, en artikel 91, lid 1, van het Statuut, is een noodzakelijke voorwaarde voor de ontvankelijkheid van beroepen van ambtenaren en functionarissen van de Unie tegen de instellingen en agentschappen van de Unie waartoe zij behoren (zie in die zin arrest van 12 juli 2011, Commissie/Q, T‑80/09 P, EU:T:2011:347, punten 129-131 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
50
In casu is het Gerecht van oordeel dat ambtshalve moet worden onderzocht of het Gerecht voor ambtenarenzaken in de punten 47 tot en met 49 van het bestreden arrest kon oordelen dat het litigieuze besluit voor rekwiranten bezwarend was. Dienaangaande moet worden beklemtoond dat alleen maatregelen die uitgaan van de bevoegde autoriteit en die een definitieve standpuntbepaling van de administratie inhouden die bindende rechtsgevolgen sorteert welke de belangen van de verzoeker rechtstreeks en onmiddellijk kunnen raken doordat zij zijn rechtspositie aanmerkelijk wijzigen, bezwarende besluiten vormen (beschikking van 13 december 2011, Marcuccio/Commissie, T‑311/09 P, EU:T:2011:734, punt 74).
51
In antwoord op de in punt 38 hierboven genoemde maatregelen tot organisatie van de procesgang van het Gerecht heeft Cepol aangevoerd dat het litigieuze besluit voor rekwiranten niet bezwarend was, voor zover dit in artikel 1 ervan bepaalde dat van hen werd verwacht dat zij op 1 oktober 2014 of op een met de directeur van Cepol overeen te komen datum aan het werk zouden gaan in de nieuwe vestigingsplaats van Cepol te Boedapest. Volgens Cepol bevestigde artikel 1 van het litigieuze besluit immers slechts het besluit van de wetgever van de Unie om de zetel van Cepol van Bramshill naar Boedapest te verplaatsen. Voor zover dat besluit betrekking heeft op de datum waarop het personeel van Cepol in Boedapest aan de slag moest gaan, herinnerde het slechts aan hun verplichtingen uit hoofde van artikel 20 van het Statuut, namelijk dat de ambtenaar moet wonen in zijn standplaats of op zodanige afstand daarvan dat hij niet wordt gehinderd in de uitoefening van zijn functie.
52
Voorts heeft Cepol betoogd dat de vermelding in artikel 1 van het litigieuze besluit, namelijk dat „niet-opvolging van deze instructie [dat van alle personeelsleden wordt verwacht dat zij op 1 oktober 2014, of op een tussen de directeur en het betrokken personeelslid overeen te komen datum, aan het werk gaan op het nieuwe hoofdkantoor van Cepol te Boedapest] zal worden aangemerkt als ontslagname met ingang van 30 september 2014”, geen enkel beslissend element bevat.
53
Ten eerste beperkt deze vermelding zich immers tot het informeren van alle personeelsleden van de contractuele gevolgen die verbonden zijn aan de weigering van een personeelslid om in Boedapest aan het werk te gaan. Die weigering houdt per definitie geen handeling van de directeur van Cepol in, maar houdt verband met een verzuim van het betrokken personeelslid, waarvan de ontslagname het juridische gevolg is. De verwijzing naar de „instructie” van de directeur van Cepol doet niets daaraan af, aangezien deze uitdrukking slechts in niet-technische bewoordingen verwijst naar de eerste zin van artikel 1 van het litigieuze besluit.
54
Ten tweede zou een personeelslid van Cepol dat zich niet aan deze „instructie” houdt, niet automatisch als ontslagnemend zijn aangemerkt zonder dat er een individueel onderzoek naar zijn bijzondere geval is ingesteld. De in de eerste zin van artikel 1 van het litigieuze besluit genoemde datum was niet absoluut, daar de personeelsleden van Cepol de mogelijkheid hadden om met de directeur van Cepol een latere datum overeen te komen. Dit blijkt niet alleen uit de bewoordingen van artikel 1 van het litigieuze besluit, maar is ook inherent aan de nieuwe situatie die voor alle personeelsleden van Cepol geldt, en die noodzakelijkerwijs uitmondde in een veelheid van individuele gevallen. Zo is een personeelslid van Cepol toegestaan om vanaf oktober 2014 tot aan het einde van zijn overeenkomst, op 31 december van datzelfde jaar, vanuit zijn huis in het Verenigd Koninkrijk te werken.
55
Rekwiranten stellen dat het litigieuze besluit voor hen bezwarend is, aangezien het bepaalt dat zij van Bramshill naar Boedapest worden overgeplaatst. Meer bepaald betogen zij dat dit besluit financiële gevolgen voor hen heeft, en wel door de enorme salarisverlaging waarmee zij hebben moeten instemmen als gevolg van het verschil tussen de aanpassingscoëfficiënt voor het Verenigd Koninkrijk respectievelijk Hongarije. Ook zijn er gevolgen geweest voor hun privéleven. FN was gedwongen om te blijven voorzien in de behoeften van zijn echtgenote en zijn stiefkinderen die in het Verenigd Koninkrijk zijn gebleven, terwijl FQ gedwongen was om twee maanden onbetaald en een maand vakantieverlof te nemen om zo snel mogelijk een huis in Frankrijk te verkopen waarvan zij eigenares was en waarvan zij de onderhoudskosten en de aflossing niet meer kon betalen. Ter onderbouwing van hun betoog beroepen rekwiranten zich op het arrest van 11 juli 1996, Aubineau/Commissie (T‑102/95, EU:T:1996:104), dat betrekking had op de overplaatsing van een tijdelijk functionaris, maar waarin de kwestie van de ontvankelijkheid niet aan de orde is gesteld.
56
Voorts voeren rekwiranten ten aanzien van hun procesbelang aan dat het litigieuze besluit het enige besluit was waartegen zij konden opkomen om hun overplaatsing naar Boedapest te betwisten.
57
Zij betogen tevens dat een personeelslid van Cepol dat op 1 oktober 2014 niet in Boedapest aan de slag zou zijn gegaan automatisch als ontslagnemend zou worden aangemerkt, tenzij er met de directeur van Cepol een andere datum was overeengekomen. Er heeft geen enkel onderzoek van geval tot geval plaatsgevonden en er is geen enkel individueel besluit genomen voor personeelsleden van Cepol die niet op de gewenste tijd in Boedapest zijn gaan werken. Het Gerecht voor ambtenarenzaken heeft kennelijk gedwaald door in punt 57 van het bestreden arrest vast te stellen dat de weigering van een van de personeelsleden van Cepol om op 1 oktober 2014 in Boedapest te gaan werken, „in casu kon worden aangemerkt als een ontslagname”. Hiermee heeft het te verstaan gegeven dat een dergelijke weigering niet gelijk kon worden gesteld aan een ontslagname. Uit de bewoordingen van artikel 1 van het litigieuze besluit blijkt echter dat een dergelijke weigering „als ontslagname zou worden beschouwd”.
58
Dienaangaande moet worden vastgesteld dat het litigieuze besluit en de besluiten tot afwijzing van de klachten in wezen uit twee onderdelen bestaan. Het eerste onderdeel betreft de verplaatsing van de vestigingsplaats van Cepol van Bramshill naar Boedapest en de mogelijke financiële gevolgen daarvan voor alle personeelsleden van Cepol. Het tweede betreft de situatie van de personeelsleden die niet op het gewenste tijdstip in de nieuwe vestigingsplaats van Cepol te Boedapest aan de slag wilden gaan.
Eerste onderdeel
59
In punt 48 van het bestreden arrest heeft het Gerecht voor ambtenarenzaken vastgesteld dat het TAOBG van Cepol bij het litigieuze besluit zowel de plaats als de datum van de nieuwe vestigingsplaats van het personeel van Cepol had vastgelegd. In punt 49 van het bestreden arrest heeft het Gerecht voor ambtenarenzaken zich op het arrest van 24 februari 1981, Carbognani en Coda Zabetta/Commissie (161/80 en 162/80, EU:C:1981:51), gebaseerd voor zijn vaststelling dat het litigieuze besluit, hoewel het uitvoering gaf aan een handeling van algemene strekking van de Raad en het Parlement, voor rekwiranten moest worden aangemerkt als een bezwarend besluit, aangezien het een wijziging van hun standplaats inhield onder voorwaarden die onwettig zouden zijn.
60
Opgemerkt zij echter dat het litigieuze besluit geen enkele wijziging in de standplaats van rekwiranten heeft gebracht. Dienaangaande zij eraan herinnerd dat de verplaatsing van de zetel van Cepol het gevolg is van een akkoord van de lidstaten en, zoals blijkt uit de derde overweging van het litigieuze besluit en uit de besluiten tot afwijzing van de klachten, van een handeling van de wetgever van de Unie. Zo hebben de lidstaten enerzijds op 8 oktober 2013 in onderlinge overeenstemming besloten dat Cepol, zodra het Bramshill had verlaten, in Boedapest zou worden ondergebracht. Anderzijds heeft de wetgever van de Unie bij artikel 1 van verordening nr. 543/2014 artikel 4 van besluit 2005/681 aldus gewijzigd dat de zetel van Cepol niet langer in Bramshill, maar in Boedapest was. Met deze wijziging van de plaats van de zetel van Cepol hebben de lidstaten en, zoals het Gerecht voor ambtenarenzaken heeft opgemerkt in punt 59 van het bestreden arrest, de wetgever noodzakelijkerwijs besloten dat het personeel van Cepol zou worden overgeplaatst van Bramshill naar Boedapest. Aangezien artikel 20 van het Statuut het personeel verplicht om in de standplaats of in de nabijheid daarvan te wonen en de zetel van Cepol de enige werkplek van dat agentschap is, is het personeel daarvan in beginsel in de zetel werkzaam.
61
Derhalve herinnert het TAOBG van Cepol in artikel 1 van het litigieuze besluit slechts aan het beginsel van overplaatsing van zijn personeel, zoals vastgesteld bij gezamenlijk overleg van de lidstaten van 8 oktober 2013 en bij artikel 4 van besluit 2005/681, zoals gewijzigd bij verordening nr. 543/2014. Hiermee heeft het TAOBG van Cepol geen kenmerkende wijziging gebracht in de rechtspositie van rekwiranten, die immers het gevolg was van het gezamenlijk overleg van de lidstaten van 8 oktober 2013 en van artikel 4 van besluit 2005/681, zoals gewijzigd bij verordening nr. 543/2014. Artikel 1 van het litigieuze besluit was in dat opzicht voor rekwiranten dus niet bezwarend.
62
Noch het arrest van 24 februari 1981, Carbognani en Coda Zabetta/Commissie (161/80 en 162/80, EU:C:1981:51), waarnaar het Gerecht voor ambtenarenzaken heeft verwezen in punt 49 van het bestreden arrest, noch dat van 11 juli 1996, Aubineau/Commissie (T‑102/95, EU:T:1996:104), waarop rekwiranten zich beroepen, doet af aan deze vaststelling. Die twee arresten betreffen elk immers een ander geval dan het onderhavige. In geen van die zaken was, zoals dat in casu het geval is, sprake van een overplaatsing waartoe de lidstaten of de wetgever hadden besloten, en waaraan de betrokken instelling bij de bestreden handeling slechts feitelijk en in algemene bewoordingen uitvoering heeft gegeven. In tegendeel, die twee zaken betroffen individuele handelingen, waarvan de vaststelling de uitoefening van een beoordelingsmarge van de administratie onderstelde. Zo ging het in de zaak die tot het arrest van 24 februari 1981, Carbognani en Coda Zabetta/Commissie (161/80 en 162/80, EU:C:1981:51), heeft geleid om individuele handelingen die objectief konden worden aangemerkt als overplaatsing van twee ambtenaren van een buitenpost te Rome (Italië) naar de zetel van de Commissie van de Europese Gemeenschappen te Brussel (België), op grond van een besluit van algemene strekking waarbij een roulatiestelsel werd ingevoerd, dat de administratie een beoordelingsbevoegdheid liet en op grond waarvan zij met name rekening kon houden met bijzondere problemen van de dienst of problemen van persoonlijke aard (arrest van 24 februari 1981, Carbognani en Coda Zabetta/Commissie161/80 en 162/80, EU:C:1981:51, punten 4‑9 en 12‑15).
63
In de zaak die tot het arrest van 11 juli 1996, Aubineau/Commissie (T‑102/95, EU:T:1996:104), heeft geleid werd een individueel besluit betwist waarbij een tijdelijk functionaris zonder zijn instemming was overgeplaatst van Brussel naar Ispra (Italië), niet als gevolg van een handeling van de wetgever, maar op grond van het feit dat hij binnen het directoraat-generaal van de Commissie waarbij hij was aangesteld, geen ambt had dat overeenkwam met zijn kwalificaties (arrest van 11 juli 1996, Aubineau/Commissie, T‑102/95, EU:T:1996:104, punten 1‑4).
64
Wat de statutaire financiële rechten van rekwiranten betreft, zij herinnerd aan de bewoordingen van artikel 64, eerste alinea, van het Statuut, dat op grond van artikel 20, lid 1, en artikel 92 RAP van overeenkomstige toepassing is op tijdelijke functionarissen en arbeidscontractanten: „Op de bezoldiging van de ambtenaar, uitgedrukt in euro, wordt, na aftrek van de verplichte inhoudingen genoemd in dit statuut of in de ter toepassing daarvan vastgestelde verordeningen, een aanpassingscoëfficiënt van meer dan, minder dan of gelijk aan 100 % toegepast, naargelang van de levensomstandigheden in de verschillende plaatsen van tewerkstelling.” Hieruit volgt dat de vaststelling van de aanpassingscoëfficiënt voor het personeel van een agentschap als Cepol niet ter beoordeling van het TAOBG wordt gelaten, maar het gevolg is van de levensomstandigheden in de plaats van tewerkstelling. Zoals uit de punten 60 en 61 hierboven volgt, was de wijziging van de standplaats van rekwiranten echter het gevolg van het gezamenlijk overleg van de lidstaten van 8 oktober 2013 en van artikel 1 van verordening nr. 543/2014. Mitsdien moet worden vastgesteld dat de toepassing, op rekwiranten, van de aanpassingscoëfficiënt voor Hongarije in plaats van die voor het Verenigd Koninkrijk, slechts een automatisch gevolg is van het gezamenlijk overleg van de lidstaten van 8 oktober 2013 en van artikel 1 van verordening nr. 543/2014 enerzijds en van artikel 64, eerste alinea, van het Statuut anderzijds, waaraan het litigieuze besluit en de besluiten tot afwijzing van de klachten in dat opzicht niets hebben toegevoegd noch hebben afgedaan.
65
Hieruit volgt dat aangezien het eerste onderdeel van het litigieuze besluit en de besluiten tot afwijzing van de klachten geen wijziging in de rechtspositie van rekwiranten hebben gebracht, zij voor hen niet bezwarend waren.
Tweede onderdeel
66
Er zij aan herinnerd dat volgens de aanwijzing in artikel 1 van het litigieuze besluit van het gehele personeel van Cepol werd verwacht dat het op 1 oktober 2014 of op een tussen de directeur van Cepol en het betrokken personeelslid overeen te komen datum in de nieuwe vestigingsplaats van Cepol te Boedapest zou gaan werken, en dat de niet-opvolging van die instructie zou worden aangemerkt als een ontslagname per 30 september 2014. Deze aanwijzing gaf de personeelsleden van Cepol twee opties. Zij konden op het gewenste tijdstip in de nieuwe vestigingsplaats van Cepol te Boedapest gaan werken of zij konden dit niet doen. In casu hebben rekwiranten voor de eerste optie gekozen. Zoals het Gerecht voor ambtenarenzaken in punt 57 van het bestreden arrest heeft vastgesteld, heeft het TAOBG van Cepol de aanwijzing in artikel 1 van het litigieuze besluit dus niet op hen toegepast.
67
Om de rechtspositie van rekwiranten te wijzigen in de zin van de in punt 50 hierboven genoemde rechtspraak, moest die aanwijzing dus niet slechts het voornemen van het TAOBG van Cepol tot uitdrukking brengen om een bepaalde gedragslijn te volgen op basis waarvan het in de toekomst individuele besluiten wilde nemen, maar reeds definitief regels van algemene toepassing vastleggen waarvan het TAOBG van Cepol in beginsel niet kon afwijken om individuele situaties te beoordelen van personeelsleden van Cepol die op een bepaalde datum niet aan de slag waren gegaan in de nieuwe vestigingsplaats van Cepol (zie in die zin arresten van 20 november 2008, Italië/Commissie, T‑185/05, EU:T:2008:519, punten 41 en 47, en 13 december 2016, IPSO/ECB, T‑713/14, EU:T:2016:727, punten 19‑22).
68
In casu moet worden vastgesteld dat het litigieuze besluit niet een dergelijke regel definitief vastlegt. Zoals Cepol terecht beklemtoont, heeft het feit dat een personeelslid van Cepol op 1 oktober 2014 niet aan de slag is gegaan in de nieuwe vestigingsplaats van dat agentschap te Boedapest niet automatisch zijn ontslagname per 30 september daaraan voorafgaande tot gevolg gehad, zonder dat een individueel onderzoek naar zijn bijzondere geval is ingesteld. Aangezien er verschillende redenen kunnen zijn voor een afwezigheid in de standplaats, kon de omstandigheid dat een personeelslid van Cepol op het gewenste tijdstip niet is verschenen in de nieuwe vestigingsplaats te Boedapest, op zich niet worden uitgelegd als een ontslagname.
69
In dit verband moet in de eerste plaats worden beklemtoond dat het litigieuze besluit de directeur van Cepol en de personeelsleden een onderhandelingsmarge geeft. Enerzijds en zoals in punt 29 van het bestreden arrest is opgemerkt, voorziet artikel 2, derde alinea, van dat besluit in de mogelijkheid van individuele onderhandelingen over de opzegtermijn tussen de directeur van Cepol en de personeelsleden die niet in de nieuwe vestigingsplaats van Cepol te Boedapest wilden gaan werken.
70
Anderzijds konden de personeelsleden van Cepol die wel in de nieuwe vestigingsplaats te Boedapest wilden gaan werken volgens de bewoordingen van artikel 1 van het litigieuze besluit met de directeur van Cepol daarvoor een datum na 1 oktober 2014 overeenkomen.
71
In de tweede plaats volgt uit de stukken van het dossier in eerste aanleg dat ten aanzien van de personeelsleden van Cepol die op het gewenste tijdstip niet in de nieuwe vestigingsplaats van Cepol te Boedapest zijn gaan werken, een individueel besluit is genomen waarbij het TAOBG van Cepol „heeft besloten om [hun] ontslagname te aanvaarden”, na te hebben onderzocht dat er geen medische reden voor hun verzuim was.
72
Uit het voorgaande volgt dat het TAOBG van Cepol met de vaststelling van het litigieuze besluit een algemene gedragslijn heeft vastgelegd op basis waarvan het krachtens de relevante bepalingen later individuele besluiten wilde nemen, waarbij eventueel de ontslagname werd vastgesteld van personeelsleden van Cepol die op het gewenste tijdstip niet waren gaan werken in zijn nieuwe vestigingsplaats te Boedapest, rekening houdend met de bijzondere situatie van elk van hen.
73
Vastgesteld moet dus worden dat het tweede onderdeel van het litigieuze besluit evenmin bezwarend was voor rekwiranten.
74
Derhalve moet, nadat partijen zijn gehoord, ambtshalve worden vastgesteld dat het Gerecht voor ambtenarenzaken is uitgegaan van een verkeerde rechtsopvatting, door na te laten de in eerste aanleg geformuleerde vordering tot nietigverklaring niet-ontvankelijk te verklaren.
75
Hieruit volgt dat het bestreden arrest moet worden vernietigd, voor zover daarbij is nagelaten die vordering niet-ontvankelijk te verklaren, en dat het niet nodig is om de eerste twee middelen van de hogere voorziening te onderzoeken, waarbij rekwiranten opkomen tegen de afwijzing ten gronde van hun in eerste aanleg geformuleerde vordering tot nietigverklaring.
Afwijzing van de in eerste aanleg ingediende vordering tot schadevergoeding
76
Met hun derde middel verwijten rekwiranten het Gerecht voor ambtenarenzaken een rechterlijke dwaling bij de beoordeling van hun vordering tot vergoeding van de materiële schade. Zij voeren twee grieven aan ter onderbouwing van hun betoog.
77
Met hun eerste grief stellen rekwiranten in wezen dat het Gerecht voor ambtenarenzaken in de punten 106 tot en met 110 van het bestreden arrest ten onrechte hun vordering tot vergoeding van de materiële schade niet-ontvankelijk heeft verklaard wegens het niet voldoen aan de vereisten van de precontentieuze procedure bedoeld in artikel 90, lid 2, van het Statuut. Ter onderbouwing van die grief beroepen zij zich op verschillende beslissingen van de Unierechter, waaruit blijkt dat een schadevordering die rechtstreeks verband houdt met een vordering tot nietigverklaring, ontvankelijk is als accessoir bij die laatste vordering, zonder dat zij noodzakelijkerwijs moet zijn voorafgegaan door een verzoek tot schadevergoeding of, eventueel, een klacht tegen de afwijzing van dat verzoek. In antwoord op de in punt 40 hierboven genoemde schriftelijke vraag van het Gerecht hebben rekwiranten echter enerzijds gesteld dat het Gerecht voor ambtenarenzaken het bestaan van een rechtstreeks verband tussen hun vordering tot nietigverklaring en die tot schadevergoeding niet echt had onderzocht. Anderzijds betogen zij dat hun in eerste aanleg ingediende vordering tot schadevergoeding nu juist strekte tot vergoeding van schade die rechtstreeks verband hield met het litigieuze besluit. In deze omstandigheden was het volgens hen niet nodig om dat verzoek vooraf te laten gaan door een klacht.
78
Met hun tweede grief betogen rekwiranten in wezen dat aangezien de afwijzing van hun in eerste aanleg geformuleerde vordering tot nietigverklaring onterecht was, het Gerecht voor ambtenarenzaken in punt 111 van het bestreden arrest ook ten onrechte heeft geoordeeld dat de vordering tot vergoeding van de materiële schade, ervan uitgaande dat deze nauw verband hield met de vordering tot nietigverklaring, als gevolg van de afwijzing van laatstgenoemde vordering ook moest worden afgewezen.
79
Cepol betwist het betoog van rekwiranten.
80
In het bestreden arrest heeft het Gerecht voor ambtenarenzaken de door rekwiranten ingediende vordering tot vergoeding van de materiële schade om twee redenen afgewezen.
81
Enerzijds heeft het Gerecht voor ambtenarenzaken in punt 110 van het bestreden arrest de door rekwiranten ingediende vordering tot vergoeding van de materiële schade niet-ontvankelijk verklaard, omdat niet was voldaan aan de vereisten van de precontentieuze procedure. Om tot dit oordeel te komen heeft het in punt 108 van het bestreden arrest vastgesteld dat het TAOBG van Cepol zich in het litigieuze besluit niet had uitgesproken over de statutaire financiële gevolgen voor elke rekwirant afzonderlijk. In punt 109 van het bestreden arrest heeft het Gerecht voor ambtenarenzaken verklaard dat rekwiranten het TAOBG van Cepol pas in hun respectieve klachten formeel hadden gevraagd om hun overplaatsing vergezeld te doen gaan van maatregelen ter compensatie van de verlaging van hun nettosalaris, die in casu met name het gevolg was van de toepassing van de aanpassingscoëfficiënt voor Hongarije. Het Gerecht voor ambtenarenzaken heeft op grond hiervan geoordeeld dat die aanspraak een verzoek in de zin van artikel 90, lid 1, van het Statuut vormde, dat in het kader van de besluiten tot afwijzing van de klachten was afgewezen en dat tegen die afwijzing een klacht had moeten worden ingediend. Rekwiranten hadden vóór de instelling van het beroep in eerste aanleg echter geen klacht tegen die afwijzing ingediend.
82
Anderzijds heeft het Gerecht voor ambtenarenzaken in punt 111 van het bestreden arrest geoordeeld dat, zelfs al wordt ervan uitgegaan dat de vordering tot vergoeding van de materiële schade nauw verband hield met de vordering tot nietigverklaring, die vordering moest worden afgewezen als gevolg van de afwijzing van de vordering tot nietigverklaring.
83
Hiermee heeft het Gerecht voor ambtenarenzaken niet blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.
84
Zoals uit de punten 51 tot en met 74 hierboven volgt, diende het Gerecht voor ambtenarenzaken de in eerste aanleg geformuleerde vordering tot nietigverklaring niet-ontvankelijk te verklaren, omdat deze was gericht tegen een besluit dat niet bezwarend was. Derhalve kon het in punt 111 van het bestreden arrest oordelen dat de door rekwiranten ingediende vordering tot vergoeding van de materiële schade, ervan uitgaande dat deze nauw verband hield met hun vordering tot nietigverklaring, afgewezen moest worden als gevolg van de afwijzing van die vordering tot nietigverklaring. Aangenomen dat rekwiranten in het kader van hun eerste grief terecht stellen dat het Gerecht voor ambtenarenzaken heeft gedwaald door niet vast te stellen dat er een rechtstreeks verband was tussen de vordering tot nietigverklaring en die tot vergoeding van de materiële schade, kan het Gerecht voor ambtenarenzaken derhalve niet worden verweten dat het die laatste vordering heeft afgewezen.
85
Mitsdien moet het derde middel worden afgewezen.
Beroep in eerste aanleg
86
Op grond van artikel 4 van verordening (EU, Euratom) 2016/1192 van het Europees Parlement en de Raad van 6 juli 2016 betreffende de overdracht aan het Gerecht van de bevoegdheid om in eerste aanleg uitspraak te doen in geschillen tussen de Europese Unie en haar personeelsleden (PB 2016, L 200, blz. 137), doet de kamer van het Gerecht die uitspraak heeft gedaan op de hogere voorziening, wanneer het Gerecht een beslissing van het Gerecht voor ambtenarenzaken vernietigt en van oordeel is dat de zaak in staat van wijzen is, zelf uitspraak over het geschil. Dit is in casu het geval.
87
Er zij aan herinnerd dat het bestreden arrest slechts wordt vernietigd,voor zover het Gerecht voor ambtenarenzaken daarbij heeft nagalaten de in eerste aanleg geformuleerde vordering tot nietigverklaring niet-ontvankelijk te verklaren. Zoals in de punten 76 tot en met 85 hierboven is geoordeeld, blijft het bestreden arrest echter gegrond voor zover daarbij de vordering tot vergoeding van de materiële schade die rekwiranten zouden hebben geleden, wordt afgewezen. Wat de afwijzing, door het Gerecht voor ambtenarenzaken, van hun vordering tot vergoeding van de gestelde immateriële schade betreft, deze is in het kader van deze hogere voorziening niet betwist (zie punt 45 hierboven).
88
Het Gerecht dient dus alleen definitief uitspraak te doen over de in eerste aanleg ingediende vordering tot nietigverklaring. Om de in de punten 49 tot en met 75 hierboven genoemde redenen, moet die vordering niet-ontvankelijk worden verklaard.
Kosten
89
Volgens artikel 211, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering beslist het Gerecht, wanneer de hogere voorziening ongegrond is of wanneer het Gerecht bij gegrondheid ervan de zaak zelf afdoet, ten aanzien van de proceskosten. Volgens artikel 134, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering, dat krachtens artikel 211, lid 1, van dat Reglement van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover dat is gevorderd.
90
Volgens artikel 211, lid 4, van het Reglement voor de procesvoering kan het Gerecht echter, in afwijking van artikel 134, lid 1, van het Reglement in geval van hogere voorziening ingesteld door een ambtenaar of ander personeelslid van een instelling, de kosten over de partijen verdelen indien de billijkheid dit vergt.
91
In casu zijn rekwiranten zowel in eerste aanleg als in hogere voorziening in het ongelijk gesteld en heeft Cepol verzocht om hen te verwijzen in de kosten. Gelet op alle omstandigheden van het geval, is het Gerecht echter van oordeel dat het redelijk is om elke partij te verwijzen in de eigen kosten van de beide procedures.
HET GERECHT (Kamer voor hogere voorzieningen),
rechtdoende, verklaart:
1)
Het arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken van de Europese Unie (Derde kamer) van 11 april 2016, FN e.a./Cepol (F‑41/15 DISS II), wordt vernietigd, voor zover daarbij is nagelaten de door FN, FP en FQ ingediende vordering tot nietigverklaring niet-ontvankelijk te verklaren.
2)
De door FN, FP en FQ bij het Gerecht voor ambtenarenzaken in zaak F‑41/15 DISS II ingediende vordering tot nietigverklaring wordt afgewezen.
3)
De hogere voorziening wordt afgewezen voor het overige.
4)
FN, FP en FQ enerzijds en het Agentschap van de Europese Unie voor opleiding op het gebied van rechtshandhaving (Cepol) anderzijds dragen elk de eigen kosten van de hogere voorziening en van de procedure in eerste aanleg.
Jaeger
Van der Woude
Frimodt Nielsen
Kanninen
Gratsias
Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 25 oktober 2018.
ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Engels.
Amtliche Sprachfassungen
Diese Entscheidung liegt in folgenden Amtssprachen der Union vor — alle gleichermaßen verbindlich.
ČeštinaΕλληνικάEnglishEspañolFrançaisItalianoNederlandsPolskiPortuguêsRomână