Zum Inhalt springen

EU-Rechtsprechung · Gericht der Europäischen Union

Openbare dienst – Pensioen – Ouderdomspensioen – Voortijdige pensionering zonder vermindering van pensioenrechten – AUB van artikel 9, lid 2, van bijlage VIII bij het Statuut – Exceptie van onwettigheid van de AUB – Dienstbelang – Definitie – Geen definitie – Duur van de beroepsactiviteit van de verzoekende partij – Inaanmerkingneming van de gehele beroepsloopbaan zowel binnen als buiten de instellingen van de Unie – Beoordelingsmarge van de instelling – Wettigheid

ECLI: ECLI:EU:F:2015:107Entscheidung vom: 22.09.2015

ARREST VAN HET GERECHT VOOR AMBTENARENZAKEN VAN DE EUROPESE UNIE (Tweede kamer) 22 september 2015 ( * ) „Openbare dienst — Pensioen — Ouderdomspensioen — Voortijdige pensionering zonder vermindering van pensioenrechten — AUB van artikel 9, lid 2, van bijlage VIII bij het Statuut — Exceptie van onwettigheid van de AUB — Dienstbelang — Definitie — Geen definitie — Duur van de beroepsactiviteit van de verzoekende partij — Inaanmerkingneming van de gehele beroepsloopbaan zowel binnen als buiten de instellingen van de Unie — Beoordelingsmarge van de instelling — Wettigheid” In zaak F‑20/14, betreffende een beroep krachtens artikel 270 VWEU, van toepassing op het EGA-Verdrag op grond van artikel 106 bis ervan, Inge Barnett, voormalig ambtenaar van het Europees Economisch en Sociaal Comité, wonende te Roskilde (Denemarken), aanvankelijk vertegenwoordigd door N. Nikolajsen, advocaat, vervolgens door S. Orlandi en T. Martin, advocaten, verzoekster, tegen Europees Economisch en Sociaal Comité (EESC), vertegenwoordigd door M. Pascua Mateo, L. Camarena Januzec en K. Gambino als gemachtigden, bijgestaan door M. Troncoso Ferrer en F.‑M. Hislaire, advocaten, verweerder, wijst HET GERECHT VOOR AMBTENARENZAKEN (Tweede kamer), samengesteld als volgt: K. Bradley, president, H. Kreppel en I. Rofes i Pujol (rapporteur), rechters, griffier: P. Cullen, administrateur, gezien de stukken en na de terechtzitting op 18 mei 2015, het navolgende Arrest 1 Bij verzoekschrift, binnengekomen ter griffie van het Gerecht op 10 maart 2014, vraagt I. Barnett om nietigverklaring van het besluit van het Europees Economisch en Sociaal Comité (EESC) van 11 juli 2013 tot vaststelling van de lijst van personen die voor 2013 in aanmerking komen voor de maatregel voorzien in artikel 9, lid 2, van bijlage VIII bij het Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie in de tot en met 31 december 2013 geldende versie (hierna: „Statuut”), voor zover daarbij wordt geweigerd om haar in aanmerking te laten komen voor die maatregel, en van het besluit tot afwijzing van haar klacht. Toepasselijke bepalingen 2 Artikel 52 van het Statuut bepaalt: „Onverminderd het in artikel 50 [van het Statuut] bepaalde wordt de ambtenaar gepensioneerd: [...] b) hetzij op zijn verzoek op de laatste dag van de in dit verzoek genoemde maand, wanneer hij ten minste 63 jaar oud is of wanneer hij, tussen de 55 en 63 jaar oud zijnde, voldoet aan de voorwaarden voor toekenning van een onmiddellijk ingaand pensioen overeenkomstig artikel 9 van bijlage VIII [bij het Statuut]. [...] [...]” 3 Artikel 77 van het Statuut luidt: „De ambtenaar die ten minste tien dienstjaren heeft vervuld, heeft recht op ouderdomspensioen. Ongeacht zijn diensttijd heeft hij echter recht op dit pensioen wanneer hij ouder is dan 63 jaar, of indien hij tijdens een periode waarin hij ter beschikking stond niet kon worden herplaatst, dan wel bij ontheffing van het ambt om redenen van dienstbelang. [...] Het recht op ouderdomspensioen wordt op 63-jarige leeftijd verkregen.” 4 Artikel 9 van bijlage VIII bij het Statuut bepaalt: „1.   De ambtenaar die de dienst vóór zijn 63-jarige leeftijd beëindigt, kan verzoeken in het genot te worden gesteld van: a) een tot de eerste dag van de kalendermaand, volgende op de maand waarin hij de 63-jarige leeftijd bereikt, uitgesteld ouderdomspensioen, b) een onmiddellijk ingaand ouderdomspensioen mits hij ten minste de leeftijd van 55 jaar heeft bereikt. In dit geval wordt het ouderdomspensioen verlaagd naargelang van zijn leeftijd op het ogenblik waarop hij in het genot van dit pensioen wordt gesteld. Het pensioen wordt verminderd met 3,5 % voor ieder jaar voorafgaande aan het jaar waarin de ambtenaar recht zou hebben verkregen op een ouderdomspensioen in de zin van artikel 77 van het Statuut. Indien het verschil tussen de leeftijd waarop het recht op een ouderdomspensioen in de zin van artikel 77 wordt verkregen en de leeftijd van de betrokkene op genoemd tijdstip meer dan een geheel aantal jaren bedraagt, wordt nog een jaar in mindering gebracht. 2.   Het tot aanstelling bevoegde gezag kan in het belang van de dienst aan de hand van door middel van algemene uitvoeringsbepalingen vastgestelde objectieve criteria en transparante procedures besluiten voornoemde mindering niet toe te passen bij de betrokken ambtenaren. Het totale aantal ambtenaren en tijdelijke functionarissen die zonder pensioenvermindering met pensioen gaan mag niet meer bedragen dan 10 % van de ambtenaren in alle instellingen die het voorafgaande jaar met pensioen zijn gegaan. Dit percentage kan jaarlijks variëren van 8 % tot 12 %, mits het totale aantal gedurende twee jaar niet meer dan 20 % bedraagt en begrotingsneutraliteit gewaarborgd is. Binnen vijf jaar legt de [Europese] Commissie het Europees Parlement en de Raad [van de Europese Unie] een evaluatieverslag over de tenuitvoerlegging van deze maatregel voor. Indien nodig dient de [Europese] Commissie een voorstel in om na vijf jaar het jaarlijkse percentage te bepalen op tussen de 5 en 10 % van alle ambtenaren in alle instellingen die het voorafgaande jaar met pensioen zijn gegaan, op basis van artikel 336 [VWEU].” 5 Bij besluit nr. 192/09 A van 13 maart 2009 heeft de president van het EESC de algemene uitvoeringsbepalingen (hierna: „AUB”) vastgesteld zoals bedoeld in artikel 9, lid 2, van bijlage VIII bij het Statuut (hierna: „AUB van het EESC”). De AUB van het EESC zijn vastgesteld in twee versies, een Franse en een Engelse. 6 De Franse versie van de AUB van het EESC luidt: „[...] 5. Om in aanmerking te komen moeten de betrokken ambtenaren en tijdelijk functionarissen voldoen aan de volgende voorwaarden: — in actieve dienst zijn in de zin van artikel 36 van het Statuut, — ten minste 55 jaar zijn vóór het einde van het in het verzoek bedoelde kalenderjaar in de loop waarvan de in artikel 9, [lid 2], van bijlage VIII [bij het Statuut] bedoelde maatregel zal worden uitgevoerd, — ten minste [vijftien] dienstjaren hebben als ambtenaar en/of functionaris in één van de instellingen of organen [van de Europese Unie] in de zin van de artikelen 1 bis en 1 ter van het Statuut. Alleen periodes in actieve dienst in de zin van artikel 36 van het Statuut worden als dienstperiode gerekend. 6. Teneinde vast te stellen welke verzoeken het meest aan het dienstbelang beantwoorden en teneinde te zorgen voor volledige transparantie bij de opstelling van de lijst van ambtenaren die in aanmerking kunnen komen voor de maatregel, wordt het volgende systeem van puntentoekenning gehanteerd: a) De leeftijd [...] van de betrokkenen: [...] 57 jaar of ouder 1,5 punten; 58 jaar of ouder 2 punten; 59 jaar of ouder 2,5 punten; 60 jaar of ouder 3 punten. b) De duur van de beroepsactiviteit [...]: 15 tot 20 jaar beroepsactiviteit 0,5 punten; meer dan 20 jaar beroepsactiviteit 1 punt; meer dan 21 jaar beroepsactiviteit 1,5 punten; meer dan 22 jaar beroepsactiviteit 2 punten; meer dan 23 jaar beroepsactiviteit 2,5 punten; meer dan 24 jaar beroepsactiviteit 3 punten; meer dan 25 jaar beroepsactiviteit 3,5 punten; meer dan 26 jaar beroepsactiviteit 4 punten. c) Het rekenkundig gemiddelde van de punten van de beoordelingsrapporten die beschikbaar zijn over de periode van [vijf] jaar aflopende op 31 december van het jaar waarin de maatregel van voortijdige [pensionering] van toepassing is [...]. Tot en met 3 punten 0 punten; van meer dan 3 tot en met 3,5 punten 1 punt; [...] van meer dan 4 tot en met 4,5 punten 3 punten; van meer dan 4,5 tot en met 5 punten 4 punten. Voor de vaststelling van de lijst van ambtenaren die recht hebben op de maatregel houdt het [tot aanstelling bevoegd gezag] rekening met het totaal van de punten a + b + c zoals dit volgt uit het hierboven omschreven systeem. [...] Het [tot aanstelling bevoegd gezag] kan alleen in uitzonderlijke gevallen en op advies van de paritaire commissie, die in alle gevallen wordt geraadpleegd, afwijken van deze volgorde. 7. Op basis van de bestaande mogelijkheden en de genoemde criteria stelt het [tot aanstelling bevoegd gezag] de lijst van ambtenaren en functionarissen vast die uit hoofde van het dienstbelang en voor elk lopend jaar in aanmerking kunnen komen voor de maatregel. Deze lijst wordt eventueel aangevuld door een aanvullende reservelijst. De lijsten worden [binnen] de instelling bekendgemaakt en meegedeeld aan de kandidaten. De betrokkenen beschikken over [tien] werkdagen om eventueel te beslissen, af te zien van hun aanmelding. In geval van afmelding van de op de eerste lijst vermelde kandidaten, wordt gebruikgemaakt van de aanvullende reservelijst. [...]” 7 In punt 6, onder b), van de AUB van het EESC wordt in een voetnoot gepreciseerd dat de „duur van de beroepsactiviteit” overeenkomt met „daadwerkelijke en naar behoren bewezen periodes van beroepsactiviteit, berekend op 31 [december] van het jaar waarin de maatregel van voortijdige [pensionering] van toepassing is”. 8 De Engelse versie van punt 6 van de AUB van het EESC luidt: „In order to identify which applications best serve the interests of the service and to ensure complete transparency in the drawing-up of the list of officials who can benefit from the facility, a following points system shall be established based on the following criteria: [...] b) Length of employement [...] [...]” 9 Het Europees Parlement, de Raad van de Europese Unie, de Europese Commissie, het Hof van Justitie van de Europese Unie en de Rekenkamer van de Europese Unie hebben respectievelijk op 6 oktober, 29 april, 28 april, 20 oktober en 21 december 2004 hun AUB van artikel 9, lid 2, van bijlage VIII bij het Statuut vastgesteld. 10 Artikel 5, „Onderzoek van de aanmelding door het [directoraat-generaal] Personeelszaken en de dienst of politieke groep van tewerkstelling”, van de door het Parlement vastgestelde AUB van artikel 9, lid 2, van bijlage VIII bij het Statuut (hierna: „AUB van het Parlement”) bepaalt: „[...] 4.   Gelet op het dienstbelang, wordt voorrang gegeven aan het verzoek van de ambtenaar die het voorwerp is van reorganisatiemaatregelen waartoe door de instelling is besloten: beëindiging van de taken van de ambtenaar na lopende reorganisatiemaatregelen, voor zover nu of in de nabije toekomst geen geschikte nieuwe taak voor de betrokkene is of kan worden gevonden. 5.   Bij de vaststelling van de groepen waaraan voorrang wordt gegeven [...] en bij de vaststelling van de volgorde daarvan, houdt de dienst eveneens rekening met [...] de anciënniteit van de kandidaat bij het Europees Parlement en zijn leeftijd[.] [...]” 11 Artikel 6, lid 2, van de AUB van het Parlement, „Selectieprocedure door het [directoraat-generaal] Personeelszaken”, luidt: „De [lijst van ambtenaren en tijdelijk functionarissen die de directeur-generaal van het directoraat-generaal Personeelszaken voorstelt om in aanmerking te komen voor voortijdige pensionering] houdt rekening met: [...] b) het belang van de dienst, met name gelet op de noodzakelijke vernieuwing van de vaardigheden binnen het Parlement [...]; [...]” 12 Artikel 5 van de door de Raad vastgestelde AUB van artikel 9, lid 2, van bijlage VIII bij het Statuut (hierna: „AUB van de Raad”) bepaalt: „1.   Het begrip dienstbelang wordt beoordeeld aan de hand van de omstandigheden en van verschillende factoren waaronder: — de behoeften aan herstructurering van bepaalde diensten; — de behoeften aan vernieuwing of heroriëntering van de vereiste vaardigheden binnen het secretariaat-generaal van de Raad aan de hand van de hem opgedragen nieuwe taken en de verplichtingen verband houdende met de uitbreiding. 2.   Het [tot aanstelling bevoegd gezag] schakelt tijdig de paritaire commissie in opdat deze een advies uitbrengt over de objectieve en concrete criteria om lid 1 in de loop van het betrokken jaar te kunnen toepassen. De paritaire commissie brengt haar advies uit binnen een termijn van [vijftien] werkdagen nadat zij is ingeschakeld.” 13 Na overeenkomstig artikel 5, lid 2, van de AUB van de Raad de paritaire commissie te hebben geraadpleegd voor de toepassing van het criterium van het dienstbelang zoals voorzien in artikel 5, lid 1, heeft het tot aanstelling bevoegd gezag (hierna: „TABG”) van de Raad voor 2004 de volgende criteria vastgesteld, welke aan het personeel zijn bekendgemaakt bij mededeling aan het personeel nr. 105/04 van 15 juli 2004: „a) het dienstbelang, overeenkomstig artikel 5 van de AUB [van de Raad], dat met name wordt beoordeeld aan de hand van: — de behoeften aan structurele reorganisatie van bepaalde diensten, — de behoeften aan vernieuwing of heroriëntering van de vereiste vaardigheden binnen het secretariaat-generaal van de Raad aan de hand van de hem opgedragen nieuwe taken en de verplichtingen verband houdende met de uitbreiding, [50 punten]; b) de effectieve anciënniteit bij de Europese Gemeenschappen [25 punten]; c) de verdiensten van de ambtenaar gelet op zijn prestaties in de instelling en gedurende zijn hele loopbaan [25 punten].” 14 Artikel 5, „Onderzoek van de aanmelding door de diensten van de Commissie”, van de door de Commissie vastgestelde AUB van artikel 9, lid 2, van bijlage VIII bij het Statuut (hierna: „AUB van de Commissie”) luidt: „[...] 2.   Elk jaar stelt elke dienst of directoraat-generaal op basis van de criteria vastgesteld in de leden 4, 5, 6 en 7 een lijst van kandidaten op. De geselecteerde kandidaten worden ingedeeld in drie prioriteitsgroepen naargelang het dienstbelang in hun geval groot, matig of nul wordt geacht. [...] [...] 4.   Het voldoen aan de volgende criteria, betreffende de taken van de ambtenaar, wordt geacht om, gelet op het dienstbelang, een mate van prioriteit aan zijn verzoek te geven: a) Criteria verband houdende met de reorganisatiemaatregelen: i) beëindiging van de taken van de ambtenaar na lopende reorganisatiemaatregelen, voor zover nu of in de nabije toekomst geen geschikte nieuwe taak voor de betrokkene is of kan worden gevonden; ii) toepassing van lopende reorganisatie- of herstructureringsmaatregelen die een kandidaat raken voor wie moeilijk een nieuwe tewerkstelling kan worden gevonden wegens de aard van zijn vaardigheden; iii) recente reorganisatie- of herstructureringsmaatregelen die een kandidaat raken en die voor hem nieuwe taken meebrengen die niet geschikt worden geacht voor zijn vaardigheden; iv) de waarschijnlijkheid dat de kandidaat in de nabije toekomst zal worden getroffen door de toepassing van reorganisatie- of herstructureringsmaatregelen, met name wanneer de taken van de betrokkene geleidelijk kunnen worden afgeschaft of substantieel kunnen worden gewijzigd dan wel kunnen worden aangemerkt als niet langer een hoofddoel voor zijn directoraat-generaal of dienst en de toewijzing van een nieuwe tewerkstelling moeilijk kan blijken te zijn wegens de aard van zijn vaardigheden; v) de kandidaat een gevoelig ambt vervult en hij in de komende twaalf maanden verplicht zal worden om nieuwe werkzaamheden op zich te nemen waarvoor nu of in de loop der tijd geen passend ambt kan worden gevonden. b) Criteria verband houdende met de vaardigheden van de kandidaat: — wanneer de nieuwe vereisten van het ambt niet langer overeenstemmen met de vaardigheden van de kandidaat en de toewijzing van een nieuwe tewerkstelling moeilijk kan blijken te zijn. [...] 6.   Bij de vaststelling van de in lid 2 bedoelde prioriteitsgroepen en de volgorde daarvan, kan de dienst eveneens rekening houden met [...] de anciënniteit van de kandidaat bij de Commissie en/of zijn positieve bijdrage tot het werk van de dienst en/of de Commissie. [...]” 15 Artikel 5, tweede alinea, van de door het Hof van Justitie vastgestelde AUB van artikel 9, lid 2, van bijlage VIII bij het Statuut (hierna: „AUB van het Hof van Justitie”) luidt: „Binnen [vijftien] werkdagen na haar inschakeling legt de paritaire commissie het TABG in volgorde van prioriteit de lijst voor van de ambtenaren en tijdelijk functionarissen die haars inziens, gelet op het dienstbelang, in aanmerking kunnen komen voor de maatregel. Bij de opstelling van deze lijst wordt met name rekening gehouden met de volgende objectieve criteria: — de beroepssituatie van de betrokkene na, onder meer, maatregelen ter reorganisatie van de dienst — de leeftijd — de anciënniteit [...]”. 16 Artikel 5 van de door de Rekenkamer vastgestelde AUB van artikel 9, lid 2, van bijlage VIII bij het Statuut (hierna: „AUB van de Rekenkamer”) bepaalt: „[...] Binnen [vijftien] werkdagen na haar inschakeling legt de paritaire commissie het TABG de lijst voor van de ambtenaren en tijdelijk functionarissen die haars inziens, gelet op het dienstbelang, in aanmerking kunnen komen voor de maatregel. Bij de opstelling van deze lijst wordt met name rekening gehouden met de volgende, in volgorde van prioriteit genoemde objectieve criteria: — de beroepssituatie van de betrokkene na, onder andere, maatregelen ter reorganisatie van de dienst — de bijdrage van de betrokkene tot het functioneren van de instelling — de leeftijd — de anciënniteit bij de Europese Gemeenschappen — de persoonlijke of gezinssituatie van de betrokkene. [...]” Aan het geding ten grondslag liggende feiten 17 Verzoekster is op 1 maart 1982 als tijdelijk functionaris in dienst getreden van het EESC. Daarna is zij op 1 juni 1982 aangeworven als ambtenaar op proef en vervolgens op 1 december 1982 als ambtenaar in vaste dienst. 18 Bij mededeling aan het personeel van 18 maart 2013 (hierna: „mededeling van 18 maart 2013”), bekendgemaakt in het Frans en in het Engels, werd de personeelsleden van het EESC verzocht om hun eventuele belangstelling kenbaar te maken voor de mogelijkheid om zonder vermindering van pensioenrechten voortijdig met pensioen te gaan, door zich ten laatste op 7 april 2013 daarvoor aan te melden. Deze mededeling vermeldde dat het aantal begunstigden voor 2013 was vastgesteld op twee. 19 Acht ambtenaren van het EESC, waaronder verzoekster, hebben zich daarvoor binnen de gestelde termijn aangemeld. 20 Bij besluit van 11 juli 2013 heeft het TABG van het EESC de lijst vastgesteld van de twee personen die voor 2013 in aanmerking kwamen voor de maatregel voorzien in artikel 9, lid 2, van bijlage VIII bij het Statuut, in casu X en Y. 21 Bij brief van 14 augustus 2013 heeft verzoekster krachtens artikel 90, lid 2, van het Statuut een klacht ingediend tegen het besluit van het TABG van het EESC van 11 juli 2013 tot vaststelling van de lijst van de twee personen die voor 2013 in aanmerking kwamen voor voortijdige pensionering zonder vermindering van pensioenrechten, voor zover haar naam daarop niet voorkwam en haar aanmelding van 19 maart 2013 dus was afgewezen (hierna: „bestreden besluit”). 22 Bij besluit van het TABG van het EESC van 9 december 2013 is de klacht afgewezen (hierna: „besluit tot afwijzing van de klacht”). Bij dat besluit waren twee tabellen gevoegd. Uit de eerste tabel bleek dat het aantal punten dat X en Y alsmede verzoekster krachtens punt 6, onder a), b) en c), van de AUB van het EESC was toegekend respectievelijk 9,5, 9,5 en 8,5 punten was. Uit de tweede tabel, die betrekking had op de volgorde van de kandidaten, bleek dat verzoekster als derde was geplaatst, na X en Y. 23 Op haar verzoek is verzoekster met ingang van 1 januari 2014 gepensioneerd; als gevolg daarvan zijn haar pensioenrechten verminderd. Conclusies van partijen en procesverloop 24 Verzoekster verzoekt het Gerecht: „[–] [...] nietig te verklaren het besluit van het EESC om [haar] voor 2013 niet in aanmerking te laten komen voor artikel 9, lid 2, van bijlage VIII bij het Statuut [...], [...] zoals dat afwijzende besluit is geconcretiseerd in [het besluit van 11 juli 2013 tot vaststelling van de lijst van de twee personen die voor 2013 in aanmerking kwamen voor voortijdige pensionering zonder vermindering van pensioenrechten en in het besluit tot afwijzing van de klacht] [...]; [–] [...] [het EESC] te verwijzen in de kosten. ” 25 Het EESC verzoekt het Gerecht: — het beroep ontvankelijk, doch ongegrond te verklaren; — verzoekster te verwijzen in de kosten. 26 Bij brief van de griffie van 6 maart 2015 is het EESC verzocht om te antwoorden op maatregelen ter organisatie van de procesgang. Het EESC heeft naar behoren aan dit verzoek voldaan. 27 Eveneens bij brieven van de griffie van 6 maart 2015 is het Parlement, de Raad, de Commissie, het Hof van Justitie en de Rekenkamer verzocht om te antwoorden op maatregelen van instructie, en met name om de AUB van artikel 9, lid 2, van bijlage VIII bij het Statuut over te leggen die door hun respectief TABG waren vastgesteld. Die instellingen hebben naar behoren aan dat verzoek voldaan. In rechte Voorwerp van het beroep 28 Met haar eerste vordering vraagt verzoekster niet alleen om nietigverklaring van het bestreden besluit, maar eveneens van het besluit tot afwijzing van de klacht. 29 Er zij aan herinnerd dat een vordering tot nietigverklaring die formeel is gericht tegen de afwijzing van een klacht tot gevolg heeft dat bij het Gerecht beroep wordt ingesteld tegen het besluit waartegen de klacht was ingediend, indien die vordering als zodanig geen zelfstandige inhoud heeft (zie in die zin arresten van 17 januari 1989, Vainker/Parlement, 293/87, EU:C:1989:8, punt 8, en 15 september 2011, Munch/BHIM, F‑6/10, EU:F:2011:139, punt 25). 30 In casu stelt het Gerecht vast dat het bestreden besluit niet de redenen bevat waarom verzoekster niet in aanmerking kwam voor de maatregel van artikel 9, lid 2, van bijlage VIII bij het Statuut en dat de lijst van ambtenaren die daarvoor wel in aanmerking kwamen slechts indirect betrekking op haar heeft, voor zover zij daarop niet voorkomt. Het besluit tot afwijzing van de klacht bevestigt en vervolledigt het bestreden besluit echter, door de redenen te noemen zowel van het besluit om X en Y op de lijst van begunstigden te plaatsen als van dat om verzoekster niet daarop te plaatsen. 31 In een dergelijk geval moet de wettigheid van het oorspronkelijke bezwarende besluit worden onderzocht aan de hand van de motivering in het besluit tot afwijzing van de klacht, aangezien die motivering wordt geacht samen te vallen met die van dat besluit (arrest van 9 december 2009, Commissie/Birkhoff, T‑377/08 P, EU:T:2009:485, punten 58 en 59 en aldaar aangehaalde rechtspraak). 32 De vordering tot nietigverklaring van het besluit tot afwijzing van de klacht heeft dus geen zelfstandige inhoud en het beroep moet worden aangemerkt als gericht tegen het bestreden besluit waarvan de motivering is gepreciseerd in het besluit tot afwijzing van de klacht. Ten gronde 33 Ter ondersteuning van haar beroep voert verzoekster twee middelen aan. Het eerste middel, dat primair wordt aangevoerd, is ontleend aan een onjuiste rechtsopvatting bij de uitlegging van punt 6, onder b), van de AUB van het EESC. Het tweede middel, dat subsidiair is aangevoerd voor het geval het Gerecht het eerste middel afwijst, is gebaseerd op een exceptie van onwettigheid van punt 6, onder b), van de AUB van het EESC. Eerste, primair aangevoerde middel: onjuiste rechtsopvatting bij de uitlegging van punt 6, onder b), van de AUB van het EESC – Argumenten van partijen 34 Primair stelt verzoekster dat het verschil tussen de aan X en Y en aan haar toegekende punten te wijten is aan een onjuiste uitlegging door het EESC van punt 6, onder b), van zijn AUB. Voor de toekenning van punten krachtens het in dat punt voorziene criterium van de duur van de beroepsactiviteit heeft het EESC immers rekening gehouden met alle beroepsactiviteiten van X en Y, zowel binnen als buiten de instellingen van de Unie, terwijl alleen rekening had moeten worden gehouden met dienstjaren bij de Unie. Indien het EESC punt 6, onder b), op de juiste wijze had uitgelegd, zou verzoekster als eerste zijn geplaatst, aangezien haar beroepsloopbaan bij de instellingen van de Unie vele jaren vóór die van X en Y is begonnen. 35 Ter ondersteuning van haar eerste middel voert verzoekster verschillende argumenten aan. Ten eerste moeten de punten 5 en 6 van de AUB van het EESC na elkaar worden gelezen en hebben zij dus noodzakelijkerwijs beide betrekking op de dienstjaren bij de instellingen of organen van de Unie. 36 Ten tweede stelt zij dat de door het EESC bepleite uitlegging, volgens welke de uitdrukkingen „duur van de beroepsactiviteit” en „length of employment” in de Franse respectievelijk de Engelse versie van punt 6, onder b), van de AUB van het EESC betrekking hebben op elke beroepsactiviteit die de kandidaten voor voortijdige pensionering zonder vermindering van pensioenrechten in hun leven hebben uitgeoefend, het in de praktijk onmogelijk maakt om het volledige gamma van in die bepaling voorziene punten te gebruiken, aangezien dit bijna automatisch tot gevolg heeft dat elke kandidaat het maximumaantal punten krijgt dat voor dat criterium is voorzien. 37 Ten derde betoogt zij dat de uitdrukking „length of employment” die in de Engelse versie van punt 6, onder b), van de AUB van het EESC wordt gebruikt, aantoont dat alleen de dienst wordt bedoeld die de kandidaten voor voortijdige pensionering zonder vermindering van pensioenrechten binnen de instellingen van de Unie hebben verricht. Voorts gebruikt de Engelse versie van de mededeling van18 maart 2013 de uitdrukking „length of service” daar waar de Franse versie die van de „durée de [l’]activité professionnelle” gebruikt, hetgeen eveneens aantoont dat het EESC uitsluitend rekening diende te houden met de jaren van arbeid binnen de instelling van de Unie. 38 Ten vierde voert verzoekster aan dat de door het EESC bepleite uitlegging van punt 6, onder b), van de AUB van het EESC kan leiden tot een situatie waarin de jaren van beroepsactiviteit buiten de instellingen van de Unie op gelijke voet in aanmerking worden genomen als die binnen de instellingen, zelfs al was de wekelijkse duur daarvan beperkt. Een dergelijke situatie kan leiden tot een schending van het beginsel van gelijke behandeling, aangezien het hierdoor mogelijk wordt om „krachtens dezelfde periode van arbeid een voordeel te krijgen in de vorm van extra pensioenrechten”. 39 Ten vijfde en ten laatste is verzoekster van mening dat, gezien het verschil tussen de twee taalversies van de AUB van het EESC, punt 6, onder b), van die AUB moet worden uitgelegd aan de hand van de algemene opzet en het doel van de regeling waarvan het deel uitmaakt. Zo bestaat er geen enkele reden om aan te nemen dat het EESC hetzelfde gewicht heeft willen toekennen aan de beroepservaring die buiten de instellingen van de Unie is verkregen als aan de dienst binnen die instellingen. Integendeel, het lijkt waarschijnlijker dat het EESC ambtenaren heeft willen bevoordelen die een groter deel van hun beroepsleven aan zijn dienst of de dienst van de instellingen van de Unie hebben gewijd vergeleken met hen die minder lang in de instellingen van de Unie hebben gewerkt. Dit zou overigens het criterium zijn dat het Parlement, de Raad en het Hof van Justitie hanteren. 40 Het EESC antwoordt hier ten eerste op dat de punten 5 en 6 van zijn AUB bewust verschillende bewoordingen bevatten. Zo verlangt punt 5 van de AUB van het EESC dat de kandidaat voor de in artikel 9, lid 2, van bijlage VIII bij het Statuut voorziene maatregel in totaal vijftien „dienstjaren” als ambtenaar of functionaris van de Unie heeft, terwijl punt 6, onder b), van die AUB bewust de uitdrukking „beroepsactiviteit” gebruikt, een uitdrukking die het Statuut op verschillende punten gebruikt om te verwijzen naar de verschillende beroepsactiviteiten die de betrokken ambtenaar of functionaris buiten de instellingen van de Unie heeft uitgeoefend. 41 Ten tweede is het EESC van mening dat de punten 5 en 6 van de AUB van het EESC een verschillende strekking hebben. Zo beoogt punt 5 van de AUB van het EESC de criteria te geven waaraan de kandidaten voor voortijdige pensionering zonder vermindering van pensioenrechten moeten voldoen, terwijl punt 6 van die AUB de selectiecriteria beoogt vast te stellen op grond waarvan een keuze kan worden gemaakt tussen de ontvangen aanmeldingen. 42 Ten derde betoogt het EESC dat verzoeksters stelling tot een schending van het beginsel van gelijke behandeling leidt, aangezien deze leidt tot een bevoordeling van ambtenaren en functionarissen die onderdaan zijn van de oprichtende lidstaten of van landen die zeer vroeg tot de Unie zijn toegetreden. 43 Ten vierde voert het EESC aan dat voetnoot 4 van punt 6, onder b), van de AUB van het EESC (zie punt 7 van dit arrest) aantoont dat voor de toepassing van die bepaling rekening mag worden gehouden met alle beroepsactiviteiten van de kandidaat, daaronder begrepen die buiten de instellingen van de Unie. Aangezien die voetnoot spreekt van „daadwerkelijke en naar behoren aangetoonde periodes van beroepsactiviteit” kan deze alleen betrekking hebben op beroepservaring die buiten de instellingen van de Unie is verkregen, aangezien de beroepsloopbaan van een ambtenaar binnen de Unie niet aan de instelling behoeft te worden aangetoond, daar deze beschikt over alle nodige bewijzen van die loopbaan. 44 Ten vijfde beklemtoont het EESC dat zowel de uitdrukking „duur van de beroepsactiviteit” in de Franse tekst als de uitdrukking „[l]ength of employment” in de Engelse versie van punt 6, onder b), van zijn AUB steun bieden aan de stelling dat elke beroepservaring van de kandidaat in aanmerking kan worden genomen, daaronder begrepen beroepsactiviteiten die buiten de instellingen van de Unie zijn verricht. Wat de Engelse versie van de mededeling van 18 maart 2013 betreft, daarin is als gevolg van een inhoudelijk vergissing de uitdrukking „length of service” daar gebruikt waar de Franse versie die van de „duur van de beroepsactiviteit” gebruikt. In elk geval kan een dergelijke inhoudelijke vergissing in een mededeling aan het personeel geen enkel recht doen ontstaan, daar de enige geldige tekst die van punt 6, onder b), van de AUB van het EESC is, zowel in het Frans als in het Engels. 45 Ten zesde betwist het EESC dat zijn uitlegging van punt 6, onder b), van de AUB van het EESC kan leiden tot een schending van het beginsel van gelijke behandeling, aangezien de betrokken maatregel niet de mogelijkheid biedt om extra pensioenrechten te geven aan een ambtenaar die een professioneel verleden buiten de instellingen van de Unie heeft, maar het hem uitsluitend mogelijk maakt om voortijdig met pensioen te gaan zonder dat zijn pensioenrechten worden verminderd. 46 Ten zevende en ten laatste stelt het EESC onder verwijzing naar de vaste rechtspraak van het Hof ter zake dat de Franse en de Engelse versie van zijn AUB niet verschillen en dat uit de algemene opzet en het doel van die AUB in elk geval blijkt dat zijn uitlegging van punt 6, onder b), daarvan correct is. – Beoordeling door het Gerecht 47 Uit de twee tabellen die bij het besluit tot afwijzing van de klacht zijn gevoegd blijkt dat X en Y beiden als eerste waren geplaatst, met elk een gemiddelde beoordeling van 4,30 en een totaal van 9,5 punten, namelijk 2,5 punten omdat zij op 31 december 2013 de leeftijd van 59 jaar hadden bereikt, 4 punten voor de duur van hun beroepsactiviteit die 33 respectievelijk 26 jaar bedroeg, en 3 punten voor hun beoordelingsrapporten. Verzoekster kwam als derde onmiddellijk na X en Y, met een gemiddelde beoordeling van 4,50 en een totaal van 8,5 punten, namelijk 1,5 punten omdat zij op 31 december 2013 de leeftijd van 57 jaar had bereikt, 4 punten voor de duur van haar beroepsactiviteit van 31 jaar en 3 punten voor haar beoordelingsrapporten. 48 Uit het dossier blijkt eveneens dat X en Y beiden in 1991 bij de instellingen van de Unie zijn gaan werken. Daar zij in 2013 zijn gepensioneerd, hebben zij dus in elk geval 22 jaar en iets minder dan 23 jaar daar gewerkt. Vast staat dat verzoekster 31 jaar bij het EESC heeft gewerkt. 49 Om het aantal punten te bepalen dat X en Y voor het criterium betreffende de duur van hun beroepsactiviteit moest worden toegekend, 33 respectievelijk 26 jaar, heeft het EESC dus hun jaren van beroepsactiviteit buiten de instellingen van de Unie opgeteld bij hun jaren in dienst van die instellingen, in casu iets minder dan 23 en in elk geval meer dan 22 jaar. Indien het EESC uitsluitend rekening had gehouden met hun dienstjaren bij de Unie, zouden X en Y elk slechts 2 punten voor dat criterium hebben gekregen hetgeen hun totaal op 7,5 punten had gebracht, waardoor verzoekster eerste zou zijn geweest. 50 De vraag is derhalve of het EESC voor de berekening van de duur van de beroepsactiviteit van de kandidaten zoals voorzien in punt 6, onder b), van de AUB van het EESC rekening mocht houden met de volledige beroepservaring van de kandidaten, zowel binnen als buiten de instellingen van de Unie, of dat het uitsluitend de dienstjaren bij de Unie in aanmerking diende te nemen. 51 Dienaangaande stelt het Gerecht vast dat, ten eerste, de Franse versie van de mededeling van 18 maart 2013 de uitdrukking „duur van de beroepsactiviteit” gebruikt daar waar de Engelse versie die van de „length of service”, namelijk de duur van de dienstjaren, gebruikt. Dit taalkundige verschil kan echter geen recht voor verzoekster doen ontstaan, aangezien de mededeling van 18 maart 2013 een uitvoeringsmaatregel van de AUB van het EESC is, en derhalve een bepaling van lagere rang. Ten tweede merkt het Gerecht op dat de uitdrukkingen „duur van de beroepsactiviteit” en „length of employment” in de Franse en de Engelse versie van punt 6, onder b), van de AUB van het EESC niet afwijken, maar dat hun bewoordingen geen duidelijk antwoord kunnen geven op de in het vorige punt gestelde vraag. Derhalve is een teleologische en contextuele uitlegging van punt 6, onder b), van de AUB van het EESC nodig. 52 Die uitlegging van punt 6, onder b), van de AUB van het EESC moet verenigbaar zijn met de hogere normen en, in de eerste plaats, met artikel 9, lid 2, van bijlage VIII bij het Statuut (zie in die zin arrest van 12 september 2006, De Soeten/Raad, F‑86/05, EU:F:2006:87, punt 42en aldaar aangehaalde rechtspraak), zodat het Gerecht eerst de ratio legis van laatstgenoemde bepaling dient te onderzoeken. 53 Op dit punt merkt het Gerecht op dat twee documenten die zijn opgesteld in het kader van de voorbereidende werkzaamheden van artikel 9, lid 2, van bijlage VIII bij het Statuut, en welke de Raad heeft overgelegd in antwoord op de maatregelen van instructie, aanwijzingen bevatten over het doel van die bepaling. Zo beoogt de betrokken bepaling volgens nota nr. 9522/03 van het voorzitterschap van de Raad van 19 mei 2003, die het voorstel van het voorzitterschap van de Raad bevat over de aan de Raad voorgelegde herziening van het Statuut, „het personeelsbeheer te vergemakkelijken, met name binnen kleine instellingen”. Volgens de bewoordingen van nota nr. 12957/03 van het voorzitterschap van de Raad van 26 september 2003, betreffende de goedkeuring van de resultaten van de overlegcommissie in het kader van de herziening van het Statuut, welke aan het comité van de permanente vertegenwoordigers was gericht, beoogt die bepaling „de instellingen een juiste flexibiliteit te verzekeren, met name in verband met de uitbreiding [van de Unie]”. Het Gerecht merkt op dat daarna overweging 33 is vastgesteld van verordening (EG, Euratom) nr. 723/2004 van de Raad van 22 maart 2004 tot wijziging van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen en van de regeling die van toepassing is op de andere personeelsleden van deze Gemeenschappen (PB L 124, blz. 1), bepalende dat „[d]eze voorziening [van voortijdige pensionering] ten doel heeft het personeelsbeleid, met name in de kleinere instellingen, te vergemakkelijken”. 54 Het Gerecht is van oordeel dat de ratio legis van artikel 9, lid 2, van bijlage VIII bij het Statuut erin bestaat, door middel van de verlening van voortijdige pensionering zonder vermindering van pensioenrechten het personeelsbeleid binnen de instellingen van de Unie te vergemakkelijken. Deze bepaling is dus niet gericht op de bevoordeling van ambtenaren of functionarissen die aan het einde van hun beroepsloopbaan meer dienstjaren binnen de instellingen van de Unie hebben dan zij die minder dienstjaren binnen die instellingen hebben als gevolg van het feit dat hun loopbaan zich voor een groter deel daarbuiten heeft afgespeeld. 55 Ten tweede moet worden opgemerkt dat voortijdige pensionering zonder vermindering van pensioenrechten volgens artikel 9, lid 2, van bijlage VIII bij het Statuut alleen kan worden verleend „[i]n het belang van de dienst”. In dit verband is geoordeeld dat de beoordeling van het dienstbelang moet plaatsvinden op basis van objectieve criteria en transparante procedures die worden vastgesteld door middel van AUB en dat de wetgever regels heeft willen stellen voor de beoordelingsbevoegdheid van de administratie ter zake van het dienstbelang. Er is eveneens geoordeeld dat het belang van het statutaire voordeel en de waarborgen waarmee de wetgever de toekenning ervan heeft omgeven, rechtvaardigen dat de Unierechter de beoordeling van het dienstbelang door het TABG nauwkeurig controleert op basis van criteria die de instellingen zelf hebben gedefinieerd (arrest van 12 september 2006, De Soeten/Raad, F‑86/05, EU:F:2006:87, punt 48). Elke instelling van de Unie stelt door middel van AUB haar definitie van het dienstbelang vast op grond waarvan voortijdig pensioen zonder vermindering van pensioenrechten kan worden verleend. 56 Uit artikel 9, lid 2, van bijlage VIII bij het Statuut volgt eveneens dat de wetgever het TABG van elke instelling van de Unie een beoordelingsbevoegdheid heeft willen geven ter zake van de criteria die worden gebruikt om de ambtenaren en functionarissen te selecteren aan wie het voordeel van voortijdige pensionering zonder vermindering van pensioenrechten wordt toegekend, op voorwaarde dat die criteria objectief zijn en vooraf worden vastgesteld. Bovengenoemde bepaling vereist dus niet dat alle instellingen van de Unie dezelfde criteria voor de selectie van de kandidaten vaststellen. Indien de wetgever dat had gewild, had hij, zoals het EESC terecht betoogt, de instellingen kunnen voorschrijven om deze in gezamenlijk overleg vast te stellen of deze rechtstreeks kunnen opnemen in het Statuut, hetgeen hij niet heeft gedaan. Aangezien er evenmin een algemeen rechtsbeginsel bestaat dat alle instellingen van de Unie verplicht om bij de vaststelling van hun AUB van artikel 9, lid 2, van bijlage VIII bij het Statuut dezelfde criteria te geven, moet worden vastgesteld dat die instellingen in hun respectieve AUB vrijelijk een definitie konden geven van het dienstbelang op grond waarvan voortijdige pensionering zonder vermindering van pensioenrechten kon worden verleend en de objectieve criteria konden vaststellen die zij opportuun achtten voor de keuze tussen de aanmeldingen voor die maatregel. 57 Aangezien artikel 9, lid 2, van bijlage VIII bij het Statuut de instellingen dus niet verplicht om de diensttijd binnen de instellingen van de Unie als objectief criterium te nemen voor de selectie van kandidaten voor voortijdige pensionering zonder vermindering van pensioenrechten, maar evenmin verbiedt dat de instellingen zich voor die selectie op dat criterium baseren, is niet uitgesloten dat een instelling ervoor kiest om gebruik te maken van haar beoordelingsmarge door in haar AUB van artikel 9, lid 2, van bijlage VIII bij het Statuut, naast andere criteria, dat van de diensttijd binnen de Unie op te nemen. Die keuze komt er dus op neer dat voorrang wordt gegeven aan ambtenaren die een langere diensttijd bij de instellingen van de Unie hebben, doordat zij verzekerd zijn van een betere positie op de lijst van kandidaten die in aanmerking komen voor de maatregel voorzien in artikel 9, lid 2, van bijlage VIII bij het Statuut dan hun collega’s wier loopbaan zich in minder mate binnen de instellingen van de Unie heeft afgespeeld. 58 Zoals blijkt uit de punten 9 tot en met 16 van dit arrest, is dit overigens de keuze die het Parlement, de Raad, de Commissie, het Hof van Justitie en de Rekenkamer hebben gemaakt. Wat het Parlement en de Commissie betreft, bepalen artikel 5, lid 5, van de AUB van het Parlement en artikel 5, lid 6, van de AUB van de Commissie immers beide dat de diensttijd bij de betrokken instelling een van de criteria voor de selectie van de kandidaten is. Wat de Raad en de Rekenkamer betreft, blijkt uit punt 3 van mededeling aan het personeel nr. 105/04 van de Raad en uit artikel 5 van de AUB van de Rekenkamer dat er een waarde wordt toegekend aan de diensttijd bij om het even welke instelling van de Unie. Wat het Hof van Justitie betreft, bepaalt artikel 5 van de AUB van het Hof van Justitie dat de „anciënniteit” een van de objectieve criteria is. Toen het in het kader van maatregelen van instructie op dat punt door het Gerecht werd ondervraagd, heeft het Hof van Justitie gepreciseerd dat die term niet alleen betrekking had op dienstperiodes van een ambtenaar bij het Hof van Justitie, maar eveneens op dienstperiodes bij andere instellingen van de Unie. 59 Daar de keuze die de in het vorige punt genoemde instellingen hebben gemaakt het EESC op geen enkele wijze bindt, mocht het gebruikmaken van zijn beoordelingsmarge door in zijn AUB van artikel 9, lid 2, van bijlage VIII bij het Statuut de duur van elke beroepsactiviteit van de betrokkenen als objectief criterium voor de selectie van de kandidaten op te nemen, en niet alleen de beroepsactiviteit binnen de instellingen van de Unie. 60 Gelet op de voorgaande overwegingen, moet de vraag of het EESC voor de berekening van de duur van de beroepsactiviteit zoals voorzien in punt 6, onder b), van zijn AUB rekening mocht houden met alle beroepservaring van de kandidaten, zowel binnen als buiten de instellingen van de Unie, bevestigend worden beantwoord. 61 Hieraan moet worden toegevoegd dat aan deze conclusie niet wordt afgedaan door verzoeksters argument dat die uitlegging van punt 6, onder b), van de AUB van het EESC zou kunnen leiden tot een schending van het beginsel van gelijke behandeling, aangezien de gekozen kandidaten die hun beroepsactiviteit eveneens buiten de instellingen van de Unie hebben uitgeoefend „krachtens een en dezelfde periode extra pensioenrechten” zouden krijgen. 62 Aangezien de pensioenrechten worden berekend op basis van de dienstjaren bij de instellingen van de Unie en, eventueel, op basis van overgedragen nationale pensioenrechten, geeft het feit dat de voortijdige pensionering zonder vermindering van pensioenrechten wordt verleend aan een ambtenaar die zich kan beroepen op een beroepsactiviteit buiten de instellingen van de Unie hem geen extra pensioenrechten in vergelijking met de situatie van een ambtenaar die eveneens voortijdig wordt gepensioneerd zonder vermindering van pensioenrechten, maar die zijn volledige beroepservaring bij de instellingen van de Unie heeft opgedaan. 63 Gelet op het voorgaande, moet het eerste middel ongegrond worden verklaard. Vervolgens moet een uitspraak worden gedaan over het subsidiair door verzoekster aangevoerde middel. Tweede, subsidiair aangevoerde middel: exceptie van onwettigheid van punt 6, onder b), van de AUB van het EESC – Argumenten van partijen 64 Subsidiair betoogt verzoekster dat punt 6, onder b), van de AUB van het EESC onwettig is, voor zover die bepaling aldus moet worden uitgelegd dat zij eveneens betrekking heeft op werk dat buiten de instellingen van de Unie is verricht. De instellingen beschikken weliswaar over een zekere beoordelingsmarge ter zake van de objectieve criteria die zij krachtens artikel 9, lid 2, van bijlage VIII vaststellen, doch die criteria moeten ook nog het dienstbelang dienen. Aangezien alleen de dienst binnen de instellingen van de Unie, en niet het werk dat daarbuiten is verricht, daadwerkelijk ten goede komt aan het dienstbelang, is punt 6, onder b), van de AUB van het EESC in strijd met artikel 9, lid 2, van bijlage VIII bij het Statuut. 65 Ter terechtzitting heeft verzoekster in dit verband beklemtoond dat het EESC criteria diende vast te stellen die objectief waren in verhouding tot het bijzondere dienstbelang waarmee het werd geconfronteerd en dat de Unierechter toezicht moet kunnen uitoefenen op dat dienstbelang. De Unierechter moet dat dienstbelang kennen en onderzoeken of de door het EESC vastgestelde objectieve criteria dat doel kunnen dienen. In casu bevatten de AUB van het EESC echter geen enkel element dat het mogelijk maakt om het door het EESC beoogde dienstbelang te beoordelen wanneer het toepassing geeft aan het in punt 6, onder b), van zijn AUB voorziene criterium betreffende de duur van de beroepsactiviteit. 66 Het EESC antwoordt hierop dat het over een ruime beoordelingsbevoegdheid beschikt wanneer het maatregelen in het belang van de dienst treft en dat de Unierechter bij zijn toezicht op de eerbiediging van het non-discriminatiebeginsel slechts moet nagaan of het geen willekeurig onderscheid heeft gemaakt of een onderscheid dat kennelijk in strijd is met het belang van de dienst. De in punt 6 van zijn AUB opgenomen objectieve criteria zijn volgens het EESC noch willekeurig noch in strijd met het dienstbelang. – Beoordeling door het Gerecht 67 Zoals in de punten 55 en 56 van dit arrest is opgemerkt, kan voortijdige pensionering zonder vermindering van pensioenrechten krachtens artikel 9, lid 2, van bijlage VIII bij het Statuut worden toegekend indien het dienstbelang dit rechtvaardigt. Elke instelling van de Unie is vrij om in haar AUB van artikel 9, lid 2, van bijlage VIII bij het Statuut het dienstbelang te definiëren. Vervolgens moet het TABG voor de selectie van de kandidaten objectieve criteria en transparante procedures vaststellen en toepassen, welke eveneens worden vastgelegd in de door de instelling vastgestelde AUB van artikel 9, lid 2, van bijlage VIII bij het Statuut. 68 In dit verband stelt het Gerecht vast dat de AUB van het Parlement, de Raad, de Commissie, het Hof van Justitie en de Rekenkamer wel een definitie bevatten van het belang van de dienst in de zin van artikel 9, lid 2, van bijlage VIII bij het Statuut. Wat het Parlement betreft, verwijst artikel 5, lid 4, van de AUB van het Parlement naar de reorganisatiemaatregelen waartoe het Parlement heeft besloten en met name naar de stopzetting van de werkzaamheden van een ambtenaar na lopende reorganisatiemaatregelen, voor zover voor hem nu of in de nabije toekomst geen geschikte nieuwe taak is of kan worden gevonden. Wat de Raad betreft, bepaalt artikel 5, lid 1, van de AUB van de Raad dat het begrip dienstbelang moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden en verschillende factoren, waaronder de behoeften aan structurele reorganisatie van bepaalde diensten en de behoeften aan vernieuwing of heroriëntering van de vereiste vaardigheden binnen het secretariaat-generaal van de Raad aan de hand van de hem opgedragen nieuwe taken en de verplichtingen verband houdende met de uitbreiding van de Unie. Wat de Commissie betreft, bevat artikel 5, lid 4, van de AUB van de Commissie voor de beoordeling van het dienstbelang criteria verband houdende met reorganisatiemaatregelen, zoals lopende reorganisatie- of herstructureringsmaatregelen. Wat het Hof van Justitie en de Rekenkamer betreft, bestaat het dienstbelang volgens artikel 5 van de AUB van het Hof van Justitie en artikel 5 van de AUB van de Rekenkamer in de reorganisatie van de dienst. 69 Voorts stelt het Gerecht vast dat de AUB van de vijf in het vorige punt genoemde instellingen objectieve criteria vaststellen waardoor sommige kandidaten eerder in aanmerking komen dan anderen, zoals hun leeftijd, de duur van hun beroepservaring of ook hun persoonlijke en gezinssituatie, alsmede de procedure die de kandidaten en de instelling moeten volgen. 70 Wat de AUB van het EESC daarentegen betreft, bepaalt punt 6 dat „teneinde vast te stellen welke verzoeken het meest aan het dienstbelang beantwoorden en teneinde te zorgen voor volledige transparantie bij de opstelling van de lijst van ambtenaren die in aanmerking kunnen komen voor de maatregel, een systeem van puntentoekenning wordt opgezet”. Volgens punt 6 van de AUB van het EESC houdt dit systeem van puntentoekenning rekening met de leeftijd van de betrokkene [punt 6, onder a), van de AUB van het EESC], de duur van zijn beroepsactiviteit [punt 6, onder b), van de AUB van het EESC], welke, zoals in punt 60 van dit arrest is vastgesteld, moet worden geacht betrekking te hebben op de volledige beroepservaring van de betrokkene, en het rekenkundig gemiddelde van de punten van de beoordelingsrapporten van de laatste vijf jaren [punt 6, onder c), van de AUB van het EESC]. 71 Uit de bewoordingen van punt 6 van de AUB van het EESC blijkt dus dat het EESC zich heeft beperkt tot de vaststelling van, ten eerste, de criteria verband houdende met de leeftijd, de duur van de beroepservaring en de verdiensten waarvan de kandidaten gedurende hun laatste jaren in dienst van het EESC of de instellingen blijk hebben gegeven, welke criteria slechts dienen om een keuze te maken tussen de kandidaten, en, ten tweede, de procedure die laatstgenoemden voor de indiening van hun verzoeken en het TABG voor de vaststelling van zijn besluit moeten volgen. Het EESC heeft echter verzuimd om aan te geven welk dienstbelang de verlening van de in artikel 9, lid 2, van bijlage VIII bij het Statuut voorziene maatregel rechtvaardigt. 72 Uit het onderzoek van de bewoordingen van punt 6 van de AUB van het EESC dat zojuist heeft plaatsgevonden blijkt dat het EESC zich op het standpunt heeft gesteld dat het in het belang van de dienst van dat comité was om de voortijdige pensionering te vergemakkelijken van zijn oudste ambtenaren, die gedurende hun loopbaan het hoogste aantal jaren hadden gewerkt en in hun laatste beoordelingsrapporten over het hoogste aantal punten beschikten. Die criteria beantwoorden op zich echter niet aan de ratio legis van artikel 9, lid 2, van bijlage VIII bij het Statuut, die, zoals in punt 54 van dit arrest in herinnering is gebracht, erin bestaat om het personeelsbeheer door de instellingen te vergemakkelijken. 73 Toen het dienaangaande ter terechtzitting werd ondervraagd, heeft het EESC bevestigd dat in zijn AUB geen dienstbelang wordt bepaald zoals bedoeld in artikel 9, lid 2, van bijlage VIII bij het Statuut. Volgens zijn verklaringen onderzoekt het EESC eerst of er sprake is van een „algemeen belang van de gehele dienst” om toepassing te geven aan artikel 9, lid 2, van bijlage VIII bij het Statuut en wanneer dit het geval is, start het voor het gehele personeel van het EESC de procedure op om zich aan te melden. Alle in aanmerking komende kandidaten die voldoen aan de drie in punt 6 van de AUB van het EESC opgenomen criteria betreffende de leeftijd, de duur van de beroepsactiviteit en de verdiensten in de dienst, worden in aflopende volgorde van het aantal verkregen punten op een lijst geplaatst. Deze lijst wordt bekendgemaakt en aan de kandidaten meegedeeld. Vervolgens kunnen de kandidaten beslissen om al dan niet af te zien van voortijdige pensionering. 74 Het Gerecht moet dus wel vaststellen dat het EESC heeft nagelaten om in zijn AUB van artikel 9, lid 2, van bijlage VIII bij het Statuut een definitie te geven van het dienstbelang dat de verlening van voortijdige pensionering zonder vermindering van pensioenrechten rechtvaardigt, en dat het EESC in de praktijk het dienstbelang gelijk heeft gesteld met de voortijdige pensionering van zijn oudste ambtenaren die gedurende hun loopbaan het hoogste aantal gewerkte jaren hadden alsmede het hoogste aantal punten in hun laatste beoordelingsrapporten. 75 Het criterium van de in punt 6, onder b), van de AUB van het EESC opgenomen duur van de beroepsactiviteit, of die nu binnen of buiten de instellingen van de Unie is verworven, biedt noch op zich noch gezamenlijk met de criteria van de leeftijd en de verdiensten, welke respectievelijk zijn opgenomen in punt 6, onder a) en c), van die AUB, de mogelijkheid om het dienstbelang te definiëren dat de verlening van voortijdige pensionering zonder vermindering van pensioenrechten rechtvaardigt. 76 Hieruit volgt dat punt 6, onder b), van de AUB van het EESC, noch op zich noch gelezen in samenhang met punt 6, onder a) en c), het EESC de mogelijkheid bood om het dienstbelang te beoordelen in de zin van artikel 9, lid 2, van bijlage VIII bij het Statuut, aan de hand waarvan het de aanvragen, waaronder die van verzoekster, diende te onderzoeken om in aanmerking te komen voor laatstgenoemde bepaling. 77 Derhalve moet, mede nadat partijen zich ter terechtzitting hebben uitgesproken over de vraag of de wijze waarop het EESC in zijn AUB rekening had gehouden met het dienstbelang een rechtvaardiging kon opleveren voor de nietigverklaring van het bestreden besluit, de opgeworpen exceptie van onwettigheid worden toegewezen en worden vastgesteld dat punt 6, onder b), van de AUB van het EESC niet op het onderhavige geval kan worden toegepast, zodat het tweede middel slaagt. 78 Daar het bestreden besluit op een onwettige bepaling is gebaseerd, is dit besluit onwettig en moet het nietig worden verklaard. Kosten 79 Volgens artikel 101 van het Reglement voor de procesvoering draagt de in het ongelijk gestelde partij, behoudens de andere bepalingen van het achtste hoofdstuk van de tweede titel van dat Reglement, haar eigen kosten en wordt zij verwezen in de kosten van de andere partij, voor zover dit is gevorderd. Krachtens artikel 102, lid 1, van datzelfde Reglement kan het Gerecht, wanneer de billijkheid dit vergt, beslissen dat een in het ongelijk gestelde partij zijn eigen kosten draagt, maar slechts ten dele wordt verwezen in de kosten van de andere partij of daarin zelfs niet dient te worden verwezen. 80 Uit bovenstaande overwegingen volgt dat het EESC in het ongelijk is gesteld. Bovendien heeft verzoekster in haar conclusies uitdrukkelijk gevraagd om het EESC te verwijzen in de kosten. Daar de omstandigheden van de zaak niet de toepassing van de bepalingen van artikel 102, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering rechtvaardigen, zal het EESC zijn eigen kosten dragen en wordt het verwezen in verzoeksters kosten. HET GERECHT VOOR AMBTENARENZAKEN (Tweede kamer), rechtdoende, verklaart: 1) Het besluit van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 11 juli 2013 tot vaststelling van de lijst van personen die voor 2013 in aanmerking komen voor de maatregel voorzien in artikel 9, lid 2, van bijlage VIII bij het Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie wordt nietig verklaard, voor zover I. Barnett volgens dat besluit niet in aanmerking komt voor die maatregel. 2) Het Europees Economisch en Sociaal Comité draagt zijn eigen kosten en wordt verwezen in de kosten van Barnett. Bradley Kreppel Rofes i Pujol Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 22 september 2015. De griffier W. Hakenberg De president K. Bradley ( * )   Procestaal: Frans.

Amtliche Sprachfassungen

Diese Entscheidung liegt in folgenden Amtssprachen der Union vor — alle gleichermaßen verbindlich.

ČeštinaΕλληνικάEnglishEspañolFrançaisItalianoNederlandsPolskiPortuguêsRomână